Meer ABCD in de Vijfhoek aub!

Brussel heeft een historische stap gezet: het centrum is autoluw. De koning met de vier wielen en de langste staat van dienst uit onze geschiedenis is eindelijk afgetreden. Dat verdient applaus. Op vlak van mobiliteit in de Vijfhoek zijn er nog heel wat vragen en punten van hevige kritiek. Ook wij zijn bepaald niet gelukkig met alle elementen uit het mobiliteitsplan dat nu getest wordt, maar bij het begin van dit nieuwe politieke jaar willen we het even over iets anders hebben: de economische situatie in het centrum. We willen niet enkel analyseren maar vooral suggereren.

Verpauperde handel

We zijn getuige van een bizar schouwspel: een liberale schepen zoekt naar manieren om de vrije markt te sturen. Dat mag doorgaans niet voor een liberaal, maar nood breekt wet. Marion Lemesre, schepen in kwestie, ziet nu goede redenen voor dat ingrijpen: de handel op de centrale lanen heet verpauperd, met te weinig kwaliteitswinkels en te weinig kapitaalkrachtige klanten.

In navolging van een studie die in haar opdracht gemaakt is, zoekt Lemesre de oplossingen voor dat probleem vooral in branding.[1] Het hele centrum krijgt een bepaald imago (‘Belgisch’, ‘only in Brussels’) terwijl elk onderdeel, elk plein een eigenheid, een identiteit, toegedicht krijgt (eten en bier aan de Beurs; creativiteit en innovatie op Brouckère).

Hoeveel zoden brengt zo’n aanpak aan de dijk? De schepen schijnt te beseffen dat ze, buiten marketing, eigenlijk weinig instrumenten in handen heeft om die transformatie te bewerkstelligen; het zijn nog altijd de handelaars zelf die beslissen hoe hun zaak er uit ziet en wat ze aanbieden. Maar Lemesre rekent wel op de 400 handelszaken waarvan het stadsbestuur eigenaar is. En ze hoopt dat het gezond verstand van de eigenaars en de uitbaters de rest doet.

Het is maar de vraag of het effectief zo zal uitdraaien. Studies hebben in het verleden serieuze vraagtekens geplaatst bij de impact van city marketing.  Niet voor niets suggereren deskundigen dat imago best ontwikkeld wordt samen met de lokale gemeenschap, eerder dan door een externe consultant, omdat draagvlak belangrijk is. [2]

“Rather than have a top-down approach, where the city brings in a consultant to develop the brands image, it is better if the comunity works together with local citizens to develop a marketing plan.” 

Wie herinnert zich bijvoorbeeld nog de branding van het stukje spoorwegtunnel tussen het Rogierplein en de Brabantstraat? Consultants kwamen een aantal jaren geleden met het lumineuze idee om dat stukje straat in de markt te zetten als ‘men’s street’. Dat sloeg niet op de business die vlakbij tiert in de Aarschotstraat maar op herenconfectie. De deftige zakenman zou en moest hier winkelen. Iedereen kan met eigen ogen gaan zien wat van dat concept terecht is gekomen. Handelaars noch klanten zijn gevolgd en de spoorwegtunnel is nog steeds een woestenij.

Terwijl het succes van marketing op z’n minst twijfelachtig te noemen is, is er een andere factor die misschien meer effect kan hebben op de handel in het centrum: de mogelijke verandering van de bevolking van de omliggende wijken. Als de heraanleg van de centrale lanen kapitaalkrachtiger nieuwkomers aantrekt, en vooral als het er voor zorgt dat die nieuwkomers ook blijven wonen in het centrum in plaats van te verhuizen naar groenere buurten van zodra ze kinderen hebben, dan verandert het cliënteel. En als de klanten veranderen, dan volgen de winkels.

Verpauperde wijken

En hop, dat brengt ons bij het G-woord: gentrification. Want natuurlijk ligt niet alleen de handel op en rond de centrale lanen in het vizier; ook de woonwijken rondom worden veelal bestempeld als probleemwijken, met probleembewoners. Veel critici verdenken het stadsbestuur ervan de huidige bevolking en handelaars bewust weg te jagen naar oorden ver buiten de stad zodat ze plaats maken voor middenklasse.

Je préfère voir les gens prendre une bière en terrasse qu’une canette de night shop par terre»[3]

Waarop anderen dan repliceren dat het goed zou zijn als meer mensen met hogere opleiding en kapitaalkracht zich langdurig zouden vestigen in het centrum. Het zou meer fiscale inkomsten opleveren voor het stadsbestuur en de negatieve spiraal van verpaupering en gettovorming doorbreken. De voorstanders van deze aanpak verwijten de critici dat ze de stad liever laten verloederen.

Een ding is duidelijk: er zijn weinig discussies die zo polariseren als deze.   

Het stadsbestuur blijft niet bij de pakken zitten. De heraanleg van de centrale lanen en van de Beenhouwerstraat, de wijkcontracten, de Nieuwstraat … Er wordt veel gerenoveerd in de Vijfhoek.

Ondertussen stellen we ook vast dat het aantal evenementen exponentieel aan het toenemen is, en dat die evenementen ook groter worden: Brussels Summer Festival moet de ‘doodse’ buurt rond de Kunstberg in de zomer levendig maken en Winterpret belooft dit jaar nog groter en imposanter te worden dan vorig jaar. Ook hier: ze zijn goed voor het imago van Brussel en ze brengen geld in het laatje.

Burgemeester Yvan Mayeur en schepen van toerisme Philippe Close geven toe dat er in de toekomst naar een spreiding moet gezocht worden van de evenementen die in het centrum worden toegelaten. Ze willen vooral geen etymologische discussie voeren over de ‘disneyficatie’ van het stadscentrum, maar hun beleid is duidelijk: Brussel moet cultureel en evenementieel meer concurreren met andere buitenlandse steden en hoe meer events, hoe beter:

« Je ne pense pas que cela fera double emploi. Nous avons fait le pari d’un Bruxelles qui n’arrête jamais et où il se passe tout le temps des choses. Plus il y a d’événements, mieux c’est ! L’idée, c’est qu’il y ait toujours quelque chose à faire à Bruxelles »[4]

Slaat balans door?

Maar de strategie rond de evenementen en het toerisme is omstreden. Bewoners klagen nu al vaak over de overlast van de terrassen, de kraampjes met Winterpret, de pop-uprestaurants en zo meer. De Stad Amsterdam beseft het bijvoorbeeld al: toerisme kun je niet eindeloos oprekken want dan ontploft je stad. Er zijn grenzen aan wat een stadsbevolking aankan. Daarom wil Amsterdam het nu over een andere boeg gooien: niet meer toeristen aantrekken maar toeristen spreiden, zoeken naar balans, via duidelijke criteria:

Door de verwachte groei van het toerisme wereldwijd en de populariteit van Amsterdam als bestemming zet Amster­dam Marketing in op het spreiden van bezoekers in ruimte en tijd.[5]

De remedies voor het probleem van ons stadscentrum hebben één ding gemeenschappelijk: ze zijn afhankelijk van ideeën, centen en mensen van buiten Brussel. Het soelaas moet komen van externe consultancy, nieuwe winkels (veelal van buitenlandse investeerders), klanten uit de metropolitane regio, meer toeristen en nieuwe inwijkelingen.

Een positievere bril

Maar als we het nu eens over een andere boeg gooien? We willen geen Amsterdam of Barcelona bis worden en we willen geen permanent Feestplein maken van de Beurs om economisch het hoofd boven water te houden. De huidige bevolking hoeft ook niet weg om het centrum opnieuw aangenamer en mooier te maken, of om de fiscale basis van de stad te verbreden. En misschien moeten we niet bij externen te rade gaan maar hebben de buurtbewoners zelf voldoende ideeën en capaciteiten om voor meer welzijn te zorgen? Met wat steun kunnen buurtbewoners hun socio-economische positie verbeteren en zelf middenklasse worden en zo zorgen voor de nodige inkomsten voor het bestuur. En waarom zouden de huidige handelaars hun winkels niet kunnen verfraaien en hun aanbod moderniseren zodat ze aan de verwachtingen van het bestuur kunnen beantwoorden?

Sociale stijging is een realiteit en het beleid kan die mee waarmaken. Hoe kunnen we die stijging bewerkstelligen? Het internationale ABcD Institute pleit al veel jaren voor zo’n manier van ontwikkeling. ABCD staat dan voor ‘asset-based community development’, ontwikkeling op basis van de troeven van een buurt. Het probleem met achtergestelde wijken is, zo luidt het in deze theorie, dat wij ze louter bekijken als een vergaarbak van tekorten. Onze bril is deficiency-based. De centrale lanen zijn verloederd, vuil en grauw, er is veel werkloosheid en armoede, de handel slabakt … Dat soort analyse – iedereen kent het. In het bovengenoemde schema voor handelsontwikkeling heten de bestaande wijken bijvoorbeeld ‘luguber’, ‘verpauperd’, ‘verouderd’ of hebben ze ‘geen echte identiteit’. 

Het antwoord op deze noden wordt steevast gezocht in interventie van buitenaf, van publieke diensten, sociale assistenten, stadsvernieuwingsprogramma’s en meer van dat, allemaal gericht op oplossen van problemen. Ook dat is perfect herkenbaar voor ons. De consultant die een marketingstrategie formuleert, hoort in dat rijtje thuis. We halen er nog eens het schema voor handelsontwikkeling bij. Daar hebben ze het over ‘exclusievere merken aantrekken’, ‘locomotieven aantrekken’, ‘het kader verbeteren’, .... Bewoners van handelsbuurten komen vandaag zeer weinig tot niet voor in de visie van de Stad Brussel.

Hoe dan wel?

Zo’n deficiency-based aanpak transformeert de buurt in een ‘environment of service’, een dienstenbuurt, zo vervolgt de ABCD-theorie. De bewoners van zo’n buurten gaan zichzelf op de duur beschouwen als mensen met speciale noden die enkel door anderen kunnen ingelost worden. Ze gaan geloven dat hun welzijn afhangt van het feit dat ze moet ingaan op wat die dienstverlener hen aanbiedt. Voor zo’n soort mens is de belangrijkste relatie, die waarin hij of zij het meest hoort te investeren, de relatie met de (externe) “hulpverlener”. Wederzijdse steun en hulpverlening tussen buurtbewoners is van geen tel meer. De hoge migratie van bewoners in zulke buurten doet de rest: contact tussen buren verwatert. Buren hebben elkaar niet meer nodig om aan ‘handel’ te doen, ze hebben elkaar zogezegd niets te bieden. Het probleemoplossend handelen van de lokale gemeenschap droogt op.

En nochtans, zegt het ABCD Institute, hebben ook deze mensen en deze buurten hun talenten, motivaties, hun leidersfiguren. Het is belangrijk dat we die opnieuw onder de aandacht brengen, valoriseren en linken met elkaar.

“In each of our neighbourhoods reside those, whose gifts and talents can produce almost all that we need to live well and to prosper, if they can discover, connect and mobilise them into productive and inclusive action.”

Dat wil niet zeggen dat er geen enkele vorm van steun van buitenaf meer nodig is. Maar steun van buitenaf zal meer impact hebben als de lokale gemeenschap zelf volop gemobiliseerd is om mee te werken aan de ontwikkeling.

A(bcd)nspachlaan

Maar nu wordt het moeilijker. We moeten op zoek naar concrete cases waarbij zo’n ABCD-aanpak kan werken.

Een ideale situatie was, volgens ons, de heraanleg van de centrale lanen. Vooral de tijdelijke invulling die we nu aanschouwen. In plaats van één plan van aanleg haarfijn te laten uittekenen door een groot bureau en in plaats van dat ene mega-project te laten uitvoeren door een mega bouwfirma, kon je de bewoners en ‘les forces vives’ van de stad aanspreken om kleine ingrepen te doen. Met een projectoproep, duidelijke doelstellingen en criteria en met een curator. Elk van de projecten moest dan uitgaan van een indiener met minstens één lokale, Brusselse actor (bewonersgroep, vereniging…). Als een bepaald doel niet ingevuld raakt, kan de curator actief actoren stimuleren om op dat vlak een initiatief te nemen.  Elk project dat weerhouden wordt, krijgt een budget om mee aan de slag te gaan, onder de auspiciën van de curator.

Het was een ideale gelegenheid geweest voor de Stad Brussel om de bewoners voor een eerste keer de kans te geven zich die nieuwe ruimte toe te eigenen en duidelijk te maken dat ‘Brussel van iedereen’ is, en niet alleen van beleidsmakers. Het had misschien de stroom aan negatieve kritiek die vandaag de centrale lanen een beetje overspoelt, wat kunnen indijken.

En er is meer: sommige van die ingrepen kunnen na een tijdje weer verdwijnen. Andere gaan wellicht decennia mee. Zo soepel is een tijdelijke aanleg. Op die manier zou de tijdelijke aanleg organisch kunnen overvloeien in de definitieve aanleg. Zonder één plan van aanleg haarfijn te laten uittekenen door een groot architectenbureau en zonder dat ene mega-project te laten uitvoeren door een mega bouwfirma. Gewoon, als een evolutieve stedelijke zone.

Een tijdelijke heraanleg onderscheidt zich van een klassiek heraanlegdossier omdat het kleurt buiten de lijntjes van de conventionele praktijken. Dat wil zeggen: het opent perspectieven voor een aanpak die niet top-down verloopt maar bottom-up. 

Want dat is een misverstand over tijdelijk gebruik: het gaat niet zozeer over tijd. Tijdelijk gebruik hoeft helemaal niet te stoppen na een aantal maanden: het gaat over aanpak. Zoals Kahoutek en Kamleithner schrijven in ‘The Economy of Temporary Use’[6], onderscheidt tijdelijke heraanleg zich vooral omdat het kleurt buiten de lijntjes van de conventionele praktijken. Dat wil zeggen: het opent perspectieven voor een aanpak die niet top-down verloopt maar bottom-up. Het benut en valoriseert de voornaamste grondstof van onze stad: de competenties en de ideeën van onze mensen.  

Lijkt deze aanpak wereldvreemd? Het is nochtans best haalbaar. Leefmilieu Brussel heeft de aanleg van het park op de spoorwegbedding aan Thurn & Taxis zo aangepakt, met Parck Farm. Het resultaat overtrof de verwachtingen van heel veel mensen. De ingrepen zijn opvallend, sympathiek, aantrekkelijk. En sommige mensen hebben hier een unieke, verrijkende ervaring opgedaan. Zo onder meer dakloze Marcel, nu in half Brussel bekend als Supermarcel.

Tweede kans

Ook voor de handel was de heraanleg een opportuniteit. Want zo’n ideeënoproep had plaats kunnen bieden voor markten en foodtrucks, ideale manieren om mensen te stimuleren om zelf te produceren en te verkopen.

Helaas, dit zijn grotendeels vijgen na Pasen. De heraanleg van de centrale lanen zit administratief al in een ver gevorderd stadium. De invulling van de testfase gebeurde zonder inspraak en ook het traject dat de vergunningsaanvraag voor de complete heraanleg moest voeden, verliep niet helemaal volgens de regels van de kunst.[7] Maar ongetwijfeld komen er nog opportuniteiten. Er zullen andere lanen en pleinen aangelegd worden. De Beenhouwersstraat om mee te beginnen. Het Fontainaspark. En nog andere.

Bravo Brussel

Er is eigenlijk zelfs niet eens een grote werf nodig om mensen kansen te geven. Er zijn wereldwijd genoeg good practices van interessante pilootprojecten die gevoerd zijn zonder dat soort aanleiding en zonder grote budgetten, gewoon door mensen aan te spreken op hun troeven en passies, door middel van interviews. Door mensen met gelijkaardige interesses en capaciteiten samen te brengen, creëer je een voedingsbodem waaruit vervolgens initiatieven kunnen opbloeien. Er zijn moestuinen uit ontstaan, culturele projecten, kleine bedrijfjes, grote verenigingen…

Opmerkelijk genoeg past de paragemeentelijke vzw Bravvo zo’n manier van werken nu al toe binnen het wijkcontract Bloemenhof, ook in het stadscentrum. Het Gemeenschapscentrum Papenvest, opgericht binnen dat wijkcontract, stimuleert en steunt mensen om voluit te gaan voor hun passies. Zo richt een buurtbewoonster een naaiatelier op terwijl andere dames koken voor de buurt en geleidelijk aan groeien naar een eigen cateringbedrijfje. Zonder de stimulans van de sociale werkers hadden ze die stap niet gezet. Een recept om te veralgemenen, zou je zeggen. Maar helaas denkt de Stad anders. Want het wijkcontract loopt binnen enkele maanden af en naar alle waarschijnlijkheid is het project daarmee ook afgelopen.

Er is eigenlijk zelfs niet eens een grote werf nodig om mensen kansen te geven. Er zijn wereldwijd genoeg good practices van interessante pilootprojecten die gevoerd zijn zonder dat soort aanleiding en zonder grote budgetten, gewoon door mensen aan te spreken op hun troeven en passies, door middel van interviews. 

Zo zijn er nog ontelbare initiatieven die eigenlijk nooit gevaloriseerd zijn, en die niet mee geïntegreerd zijn in de manier waarop Stad Brussel het dossier vandaag aanpakt. We denken ook aan de initiatieven die de tientallen leden van de Coordination Sociale de la Senne (CSS) de laatste jaren genomen hebben, samen met bewoners: concrete acties rond de wooncrisis, film- en videoprojecten met jongeren, politieke cafés, ... Waar horen we die stemmen? Wat gebeurt met de output van al deze projecten in het zogeheten participatieproces over het nieuwe stedelijke project van de Stad Brussel? En waar krijgen de buurtbewoners die er bij betrokken zijn kansen om hun energie en goesting om te zetten in een langduriger initiatief? De verenigingen steunen hen wel – da’s juist – maar zij doen het bijna altijd met bijzonder weinig middelen. BRAL wil alleszins proberen om meer te doen met die dynamiek. We plannen om dit najaar al deze initiatieven, samen met CSS, zichtbaar te maken onder de noemer ‘Duurzame Vijfhoek / Pentagone Durable’.

In het stadje Eagleby in het oosten van Australië.[8] zagen we een mooi voorbeeld van een geslaagd voorbeeld van dit soort van empowerment. Daar is een groenzone heraangelegd, niet door architecten en aannemers aan te werven maar door bottom-up te werken rond stigmatisering van de buurt en de capaciteiten van de mensen die er wonen. De buurtbewoners hebben er samen een groot beeld van een arend gemaakt die verpletterd werd onder vooroordelen. Het beeld stond symbool voor het negatieve imago van het stadje. De arend en het stigma dat er op rustte zijn vervolgens verbrand op een reuze brandstapel op een groots wijkfeest. Mensen ontdekten toen dat ze tot meer in staat waren dan ze dachten en niet bij de pakken moesten blijven zitten. Op die manier was het proces een startschot voor een grote mobilisatie van de gemeenschap ten voordele van de heropleving van de stad. Want de volgende stap was dat mensen rond zich keken en zich afvroegen wat er kon gebeuren om dingen te verbeteren. De aanleg van een park en een kade langs de rivier waren het gevolg van die manier van werken, niet omgekeerd. Het resultaat is dat de openbare ruimte in Eagleby nu opgeknapt is én dat de bevolking er op vooruit gegaan is, sterker en zelfbewuster geworden is.en verschillende duurzame initiatieven op poten heeft gezet.

Bravo Brussel!

Brussel heeft een heel rijk en divers middenveld. Op heel veel manieren en op heel veel momenten hebben bewoners de laatste jaren getoond dat ze mee willen werken aan hun stad, dat ze de handen uit de mouwen willen steken. Nu de Stad Brussel ook van plan is om de Vijfhoek (en daarbuiten) grondig te gaan hertekenen, heeft ze er alle belang bij om daar op tijd en structureel de bewoners bij te betrekken. We geven hierboven aan op welke manier dit kan gebeuren, wat de verhouding tussen bewoners en hun verkozenen zou moeten zijn. En hoe bewoners daardoor kunnen groeien als mens. Beleidsmensen moeten hun bewoners omarmen en kansen geven in plaats van ze te willen veranderen of in een keurslijf van een marketing-studie te duwen.

Piet Van Meerbeek en Joost Vandenbroele

 

 

[1] Maart 2014: Voorstelling van de resultaten van het commercieel ontwikkelingsschema en het webobservatorium voor de handel (schepen Marion Lemesre)

[2] Kolb, 2006: Tourism marketing for cities and brands

[3] Marion Lemesre in L’Avenir 15/7/2015 - http://www.lavenir.net/cnt/dmf20150715_00677182

[4] Bruxelles les Bains en vitesse de croisière : http://m.lalibre.be/regions/bruxelles/bruxelles-les-bains-en-vitesse-decroisiere-558924ec3570f340d74d146a

[5] Stad in Balans: https://www.amsterdam.nl/gemeente/college-van/individuele-paginas/kajsa-ollon-gren/persberichten/persberichten-2015/amsterdam-verwacht/

[6] Urban Catalysts: The Power of Temporary Use’ (http://www.planum.net/journals-books/urban-catalyst-the-power-of-temporary-use)

[7] Zie ‘Bral-standpunt: heraanleg centrale lanen en het circulatieplan’ (27/1/2015)

[8] Http://www.academia.edu/2753616/Stories_in_a_park_Giving_voice_to_the_voiceless_in_Eagleby_Australia