De grote transformatie van Brussel

Foto: Stadsbiografen, Herman Genbrugge

Het klassieke boek van Polanyi als leidraad voor een transitie 

De vrije markt is een utopie. Ze wordt gereguleerd, beschermd en gestuurd door tal van politieke keuzes. Als we BXL duurzaam willen maken, moeten we die keuzes bespreekbaar maken en herdenken. 

Een anekdote van kort voor de kerstvakantie vorig jaar. Ik mocht met twee collega’s van partnerorganisaties [1]
op de koffie bij de voltallige Brusselse gewestregering voor een gesprek over de ontwikkeling van deze stad. We pleitten er voor het stuur om te gooien, met onder andere gemengde coöperaties, uitleendiensten en steun voor tijdelijk gebruik van lege gebouwen. Samen met regelgeving tegen monopolies en coproductie bij het beheer van de grondreserves moet het ons op weg zetten naar een echte collaboratieve economie. En natuurlijk breed overleg met de Brusselaars. Wellicht ontwaarde hij tussen de zinnen van ons betoog een kritiek op het concurrentiedenken want minister van Werk Clerfayt (Défi) grapte: “Moeten we dan maar meteen winst verbieden?”  

Kunnen politici niks doen? 

Net als zoveel anderen is onze minister vermoedelijk doordrongen van de idee dat de vrije markt onze economie stuurt volgens wiskundige wetten en dat politici op dat terrein niets te zoeken hebben. Politiek en economie zijn in die visie strikt gescheiden werelden. Een pleidooi voor een economische transitie klinkt dan al snel als pure ideologie. Een vroom wensdenken dat onuitvoerbaar is vermits de ijzeren logica van de markt geen duimbreed ruimte laat voor ingrepen van de politiek. 

Op zo’n momenten komt lectuur van ‘The Great Transformation’ van pas.[2] In dit helaas te weinig bekende sleutelwerk uit de jaren ‘40 toont de Oostenrijks-Hongaarse auteur Karl Polanyi haarscherp aan hoe ideologisch dit vrije-marktdenken zelf wel is. En hoezeer de markt gevormd, beschermd en gereguleerd wordt, niet door natuurwetten maar door politieke beslissingen. Ook in Brussel is dat niet anders: een ideologisch marktparadigma ligt ook hier aan de grondslag van ons economisch bestel en van de ruimtelijke ontwikkelingen die er mee samenhangen. Ook hier leidt dat paradigma tot politieke keuzes. Andere keuzes zijn wel degelijk mogelijk.

Eigenbelang is niet de motor van ons leven 

Markt- en groeidenken is niet altijd synoniem geweest van gezond verstand. Die visie is zelfs relatief jong. Pas in de 18de eeuw is de idee ontstaan dat de mens van nature een handelaar is, een homo economicus, uit op winst. Hij of zij zou een natuurlijke neiging bezitten om zijn of haar eigen belang na te streven. Op die manier zouden we met ons allen, gedreven door een “onzichtbare hand”, echter bijdragen tot de ontwikkeling van de maatschappij.  In alle landen en culturen op deze planeet zou dat het geval zijn. Doorheen de eeuwen heeft de idee van de mens als handelaar krachtig postgevat in ons collectieve geheugen, onder meer gevisualiseerd door schetsen van prehistorische of niet-westerse volkeren die aan ruilhandel doen. Maar dat axioma, onder meer bedacht en verspreid door de grondlegger van de economische wetenschap Adam Smith, is eerder een zelf vervullende voorspelling gebleken dan een correcte historische analyse, zo leert ons Polanyi. Het is wel zo dat ruil al heel erg lang bestaat, maar, schrijft hij:  

“Gain and profit made on exchange never before played an important part in human economy. Though the institution of the market was fairly common since the later Stone Age, its role was no more than incidental to economic life.” (pg 45)  

Ruil leek veel meer op het altijd voortdurende proces van verjaardagscadeaus binnen een familie dan op winstbejag. Je gaf niet met de bedoeling er materieel beter van te worden. Dat is logisch ook, zegt Polanyi. Mensen handelen niet uit individuele, materiële overwegingen maar trachten veeleer hun sociale status te vrijwaren. Doorheen heel de geschiedenis zijn niet economische maar sociale overwegingen de motor geweest van het economische systeem. 

Werken voor loon: lange tijd ondenkbaar 

Polanyi haalt de antropologische studies van Malinowski, Thurnwald, Firth en anderen aan om zijn stelling kracht bij te zetten.  Telkens weer blijkt uit dat onderzoek dat zogenaamde primitieve gemeenschappen veel belang hechten aan giften en dat ze eigenbelang en betaling voor arbeid minachten. “Nowhere in uninfluenced primitive (sic) society do we find labour associated with the idea of payment”[3]. Herverdeling en wederkerigheid komen voortdurend terug als bouwstenen van samenlevingen. Winst maken is ondenkbaar. “Far from being possessed with a craving for barter, primitive (sic) man has an aversion for it”[4].  Je eer gebiedt je bij een ruil meer te geven dan je krijgt. Bij een gezamenlijke klus dien je harder te werken dan strikt noodzakelijk.

We hoeven niet naar kleine gemeenschappen in Polynesië of de Amazone om evidentie terug te vinden voor de stelling van Polanyi. Ook de grote rijken in China of India functioneerden volgens de principes van wederkerigheid en herverdeling door de “chef”. En in de middeleeuwen was het ook in onze eigen contreien nog verfoeilijk om betaald te worden voor werk. Je werkte uit eer of uit verplichting, als horige. De troubadours of minnestrelen, die wel geld aannamen voor hun optredens, waren een uitzondering op die regel maar werden dan ook met de nek aangekeken. 

De geboorte van de vrije markt 

The Great Transformation zoomt in op de betekenis van markten of munten. Die bestaan om te beginnen niet overal. In oudere samenlevingen waar markten en geld wel bestonden, was hun belang, net als ruil, eerder bijkomstig. Samenlevingen zonder markten of geld waren niet noodzakelijk minder “ontwikkeld” dan samenlevingen met.  

Het is ook niet zo dat de introductie van markten of munten automatisch een transformatie tot vrije-marktsamenleving in gang zet. Polanyi beschrijft hoezeer markten in Europa in de middeleeuwen gereguleerd waren. Op lokale markten werd handel strikt aan banden gelegd om prijsstijgingen tegen te gaan. Tussenhandelaars waren verboden uit vrees dat die de prijzen zouden opdrijven. En omdat handel over lange afstanden ontsnapte aan controle, werden lokale en internationale markten fysiek zo ver mogelijk van elkaar gescheiden.  

Vanaf de renaissance werd handel meer en meer op nationaal niveau georganiseerd maar de overheid begreep goed dat competitie tot monopolies kon leiden. Uit angst dat een monopolist niet langer in de dagelijkse behoeften van de mensen zou voorzien, werd de economie ook toen nog strikt gereguleerd. Voor de moderne mens lijkt zoiets op het uitsluiten van concurrentie; voor de toenmalige mens was het de noodzakelijke bescherming van de markt. Ook voor productie en arbeid bestonden allerlei regels. Vaak waren het de gilden die bepaalden wie tot een ambt mocht toetreden en onder welke voorwaarden. De Britse “Elizabethan Poor Law” beperkte de bewegingsvrijheid van de armen, een term die bijna synoniem was voor het gewone volk; zij hadden recht op steunmaatregelen zolang zij in hun eigen parochie bleven. Zij konden ook te werk gesteld worden. De idee van een vrije markt waar arbeid aangeboden en gekocht wordt, als een verkoopsartikel, in ruil voor variabele lonen, was tot de jaren ‘30 van de 19de eeuw volkomen absurd.  

De komst van industriële stoommachines veranderde de relatie tussen producenten en arbeid. Deze machines hadden een veel grotere capaciteit dan oudere apparaten maar waren dan ook navenant duur. Niemand kon het risico lopen zich een stoommachine aan te schaffen zonder garantie van continuïteit van productie. Om het aanbod aan arbeid te garanderen, werd het noodzakelijk arbeid te kunnen aankopen. De afschaffing van de Poor Law door het Britse Parlement in 1834, opende de weg naar een echte arbeidsmarkt en is daarom de start van het industriële kapitalisme als sociaal systeem. En omdat arbeid niets anders is dan het leven en handelen van de mens zelf, betekende dit ook een complete transformatie van de samenleving. Voor het eerst in de geschiedenis werden maatschappelijke overwegingen ondergeschikt aan economische. “Human society had become the accessory of the economic system.” (Polanyi, pg 79.) 

En meteen het einde van de vrije markt 

Opgelet nu! Het is op dit punt dat The Great Transformation misschien wel de belangrijkste en meest verrassende bijdrage levert aan onze maatschappelijke kennis. Want niet alleen is de vrije markt absoluut niet de “natuurlijke” of enige logische habitat van de mens die liberale denkers er traditioneel van maken; Polanyi gaat nog verder: een maatschappij die functioneert volgens de regels van een vrije markt is zelfs een complete utopie. Er is nooit een echte zelfregulerende markt geweest en die kan ook nooit bestaan. Want zodra het Britse parlement deze mythe toepaste in 1834, staken tal van maatschappelijke veranderingen de kop op om de impact ervan af te zwakken en van z’n essentie te ontdoen. “Almost simultaneously the self-protection of society set in: factory laws and social legislation, and a political and industrial working-class movement sprang into being.” 

Volgens Polanyi heeft die evolutie zich voorgedaan in alle samenlevingen die de stap naar industrialisering gezet hebben. De reactie was telkens prompt en volgde elke keer ongeveer hetzelfde patroon. Regeringen namen gelijkaardige regelgevende initiatieven om hun industrie te beschermen tegen de vernietigende effecten van de vrije markt. Ze deden hetzelfde om arbeid te beschermen en salarissen te garanderen. Vakbonden organiseerden zich om de afkalving van lonen tegen te gaan door middel van sociale strijd en onderhandelingen. 

Het interessante is dat de staatsinterventies nooit een ideologische keuze zijn geweest. De liberale theoretici beweerden stelselmatig dat deze uitkomsten te wijten waren aan gebrek aan politieke moed of inzicht van politici. Het kon niet te wijten zijn aan fouten in het systeem, dachten zij, want het systeem werd geregeld door niet-menselijke, wiskundige wetten. In werkelijkheid kozen regeringen ervoor deze maatregelen te nemen ondanks hun geloof in de zelfregulerende marktmythe. Zij deden dit omdat zij wel moesten. Geconfronteerd met de snelle rampspoed die een werkelijk zelfregulerende markt teweegbracht voor mens en planeet, voelden zij zich al snel verplicht de samenleving te beschermen door de ene maatregel na de andere, allicht ook opgejaagd door de sociale strijd van de nieuwe vakbonden. 

The Great Transformation of Brussels 

De leer van Polanyi is lang over het hoofd gezien. Nog steeds studeren in ons land economen af die nooit van hem gehoord hebben. De mythe dat politici niet mogen interveniëren in de economie staat nog steeds stevig overeind. Dat het maatschappelijke nog altijd ondergeschikt is aan ideologisch-economische overwegingen zagen we recent nog eens mooi geïllustreerd door de fameuze uitspraak van Vlaams milieuminister Zuhal Demir dat het redden van het klimaat “haalbaar en betaalbaar” moet zijn. Alsof de redding van onze leefwereld een product is in de rekken van een supermarkt dat we kunnen laten staan, omdat we toch liever kiezen voor zijn goedkopere variant, de totale catastrofe. 

Toch beseffen meer en meer mensen dat we vastzitten in een ideologische dwangbuis. Het is niet zo dat de vrije markt ons geen keuze laat. Een echt vrije markt is niet meer dan een illusie. Overheden grijpen wel degelijk in, op manieren die niet altijd volledig bekend of erkend zijn. "'... industrialization rested on the government's research, teaching and extension services. (...) Even today, protectionism and government interventions are alive and well...”, zo schrijft Nobelprijswinnaar Stiglitz in het voorwoord van Polanyi's boek (pg xiii). 

“Not even the U.S. Treasury (…) or the IMF, those institutional bastions of the belief in the free market system; believe that governments should not intervene in the exchange rate, though they have never presented a coherent and compelling explanation of why this market should be treated differently from other markets.” 

Ook in België en in Brussel zien we dat de overheid heel actief vorm geeft aan de economie, door bepaalde activiteiten of praktijken te helpen en andere te belemmeren. Dezelfde ministers die volhouden dat ze niet kunnen ingrijpen in de economie omdat de vrije markt dat niet toelaat, houden tegelijk allerlei subsidies, taksen en fiscale vrijstellingen en een boel regelgeving in stand die de economie sturen. Pas als we dat ten gronde beseffen, zullen alternatieve ingrepen mogelijk worden. 

Een voor de hand liggend voorbeeld is de manier waarop de federale regering werkgevers stimuleert om hun personeel uit te betalen in salariswagens en brandstof, terwijl andere overheden net andere vervoersmodi promoten. En als Gewest en Stad Brussel plannen ontwikkelen voor een shoppingcentrum aan de Heizel, dan is dat vanzelfsprekend ook een duidelijke vorm van interventie in het economische weefsel. Heel onze stedenbouw, onze sociale woningen en huisvestingsbeleid, de aanbestedingen van alle overheden... geven vorm aan de huisvestingsmarkt, de kantoormarkt, de handel, bref, aan heel de economie in onze stad.  

De verwevenheid van politiek en economie werkt ook in de andere richting want evengoed worden de ruimtelijke keuzes van onze overheid mee gedicteerd door het economische bestel en het bijhorend paradigma. Daarom kunnen we de stad niet fundamenteel veranderen met een louter ruimtelijke aanpak. Ook de Vereniging van Ruimtelijke Planners beseft dat. In een kritische analyse van de 15-minutenstad schrijft ze: “De impact van ruimtelijke interventies blijft vaak bescheiden. Stedelijke regio’s zijn een onderdeel van een globaal metropolitaan netwerk.” De VRP roept terecht op de ruimtelijke aanpak aan te vullen met een andere manier van reguleren, subsidiëren en investeren. Zolang we die politieke sturing van de economie niet blootleggen en herdenken, kan onze stad nooit echt duurzaam worden, ook niet in haar ruimtegebruik. 

Samen maken we de economie en de stad 

Even concreet nu. Een heleboel veranderingen zullen nodig zijn om het politiek-economisch bestel dat deze stad mee stuurt, te veranderen. Daarbij hebben we zeker niet genoeg aan innovaties. Nieuwe uitvindingen en ontwikkelingen moeten gepaard gaan met de eliminatie van praktijken die niet duurzaam zijn. Wetenschappers noemen dat “exnovatie”, de tegenhanger van innovatie. Op dit moment doet de ULB onderzoek naar exnovaties die noodzakelijk zijn voor Brussel. BRAL is peter van die studie. De focus ligt onder meer op de uitfasering van mobiliteit gebaseerd op privé-eigendom. Salariswagens en de privatisering van de straat door geparkeerde wagens zijn voorbeelden van praktijken die de overheid mogelijk maakt vanuit een economisch paradigma dat opgebouwd is rond privébezit en snel en efficiënt tijdsgebruik. De transitie naar een duurzame stad vraagt in die zin niet alleen een fiscale hervorming maar ook een actief beleid om andere vormen van bezit te versterken.  

Dat brengt ons terug naar het begin van dit artikel: regelgeving of subsidies zijn niet de enige denkbare manier om zo’n omschakeling te steunen. Waarom zou de overheid niet het beheer van deelwagens, fietsen en –steps mee organiseren door een gemengde coöperatie op te richten, samen met de gebruikers en de gemeenschap? Ondertussen kan ze aankondigen dat privéwagens binnen 10 jaar in het geheel niet meer mogen parkeren op de openbare ruimte. Zo zou de overheid zichzelf en de Brusselaars een hefboom verschaffen om ons ruimtegebruik echt te doen kantelen. Tegelijk zou ze een revolutie in gang zetten in ons denken over eigendom en beheer van de ruimte en de hulpbronnen. En dan ben jij misschien morgen mee eigenaar van de Villo’s en Cambio’s in deze stad. 

Piet Van Meerbeek 

Dit artikel is een van de laatste analyses van de hand van Piet Van Meerbeek. Na 22 jaar neemt hij op 31 augustus helaas afscheid bij BRAL. Bijna een kwarteeuw aan milieu-ervaring en participatie-expertise zal ons verlaten. Als je hem persoonlijk succes wil wensen, kan je hem nog even contacteren op zijn gekende adres (piet at bral.brussels), of binnenkort bij Avansa Oost-Brabant. Heel veel succes daar, Piet! 

 

Voetnoten

[1] We zijn uitgenodigd in naam van de “Gewestelijke Transitieraad”. Die zogezegde raad is niet een van de vele adviesorganen die ons Gewest telt, maar een coalitie van verenigingen die ijveren voor een breed overleg tussen overheid, middenveld, wetenschappers en burgers over hoe we de stad een andere richting uit moeten sturen. De website van de Gewestelijke Transitieraad is niet meer online maar in dit artikel kan je de open brief lezen.

[2] The Great Transformation, the political and economic origins of our time, Karl Polanyi, 1944, 2001, Boston, Beacon Press

[3] Lowie, Social Organization, geciteerd in Polanyi, pg 277.

[4] Bücher, Die Entstehung der Volkswirtschaft, geciteerd door Polanyi.