Tijdelijk gebruik in Brussel: welkom in de grijze zone!

Wat kan en moet er in Brussel gebeuren met de vele leegstaande woningen en kantoren, braakliggende terreinen of plekken die wachten op herontwikkeling? Ze niet gebruiken is nutteloos, tijdelijke invulling is een evidente optie. Daar begint ook het beleid van overtuigd te geraken. Maar tijdelijk gebruik zal spontaan en creatief zijn of zal niet zijn. Dus al te veel institutionaliseren en instrumentaliseren is geen goed idee. De administratieve mallemolen ligt vaak net aan de basis van de in on(der)gebruik vervallen ruimten. Is Brussel klaar om tijdelijk gebruik te omarmen?

Tijdelijk gebruik was in de jaren ’70 en ’80 vaak politiek gemotiveerd. De strijd tegen leegstand en het bekritiseren van de speculatiepolitiek was nooit veraf. Het vacuüm in de wetgeving gaf aanleiding aan veel spontane en creatieve initiatieven. Een wetgeving rond tijdelijk gebruik is er vandaag nog altijd niet. Maar is dat wel nodig? De huidige zogeheten space pioneers maken nog steeds gebruik van dat vacuüm, van die grijze zone. Wat zou er gebeuren wanneer ook die zone onderworpen wordt aan regels en administratie?

Tijdelijk gebruik is nodig

Een recent Brussels voorbeeld van tijdelijk gebruik van publieke ruimte is Pic Nic The/More Streets aan de Ninoofse Poort van 15 september 2013. Het was een fijn pop-up event met kleine interventies die het straatbeeld op een paar uurtjes tijd veranderde, en ook heel wat Brusselaars zelfvertrouwen en vooral veel plezier gaf. Dat alles dankzij de inzet van verschillende actievelingen, zowel bewoners als organisaties. Geen zoveelste rondetafelgesprek dus, gewoon doen! Ook de krakers die in een van de gebouwen in de buurt hun intrek namen (La Parfumerie) of vzw Toestand die een concert organiseerde maakten al gebruik van de voortdurende onzekerheid rond de site. Experimenteren in de publieke ruimte dus.

Een grootstad heeft recht op dit soort van acties. In de heersende stadsplanning is er, ondanks de toegenomen aandacht voor participatie, nog steeds te weinig plaats voor dit soort van placemaking(1). De stadsmarketing retoriek wordt wel geüpdatet - denk aan de ‘branding’ van de metropool Brussel of de marketing rond de Kanaalzone - maar de stadsplanning zelf blijft krampachtig vasthouden aan de traditionele werkmethoden.

In een periode van economische recessie wordt publieke ruimte vaak uitbesteed aan privé-actoren, die zich de publieke ruimte toe-eigenen zonder rekening te houden met de socio-economische werkelijkheid die op en rond een bepaalde site heerst. Tijdelijk gebruik – meestal met een duidelijke lokale en sociale inbedding - creëert openingen waar de traditionele stadsplanning tekort komt. Het dagelijkse gebruik van de publieke ruimte wordt als het ware getest en kan aangepast worden aan de verschillende dynamieken die heersen op de site. Tijdelijk gebruik stimuleert ook een dialoog die anders maar moeilijk tot stand komt. En tijdelijk gebruik kan tevens een alternatief bieden aan de participatiemoeheid in vele stadsontwikkelingsprojecten.

 

Lege plekken zijn het gevolg van het falen van het ruimtelijk beleid van het modernisme, maar ze bieden ook een opportuniteit: ze vormen een interessant werkveld omdat ze op pragmatische wijze uiteenlopende verrassende acties toelaten, waarbij de deelnemers elk toch hun eigen achtergrond en onafhankelijkheid kunnen behouden.  Hier een foto van het stadsfestival Plein Open Air © POA/Cinema Nova

Het feit dat de tweede editie van de designbiënnale Parckdesign in 2014 bijvoorbeeld plaatsvindt aan Thurn & Taxis is geen toeval. Het is een fantastische open ruimte dat al jaren on(der)gebruikt wordt. In 2007 al organiseerde BRAL er een conferentie omtrent tijdelijk gebruik, met interventies van Citymine(d), Klaus Overmeyer, Eva de Klerk, Michel Desvigne e.a. Dat resulteerde onder meer in een charter voor tijdelijk gebruik en een conventie tussen de eigenaar, de actuele gebruikers en vzw's (Le Début des Haricots, Yota !,  scouts Molenbeek, Noyau Central Action Jeune, ColibriS’tyle…)  die nood hadden aan een plaats 'om te spelen'.

Het tijdelijk gebruik is, ondanks zijn tijdelijkheid, een permanent fenomeen in de grootstad. Dan spreken we zowel over het potentieel van de 3.940.000 vierkante meter woningleegstand in het Brussels Gewest (Zie Carte Blanche p.14-15) , als de talrijke braakliggende terreinen in Brussel zoals Victor aan het Zuidstation of de leegstaande loodsen, doodlopende straat en ommuurd groen aan de Ninoofse Poort.

De administratie Leefmilieu Brussel, die initiatieven zoals de website potagersurbains.be (i.s.m. Le Début des Haricots), Parckdesign, en Bécodoc begeleidt en ondersteunt, houdt de vinger aan de pols wat betreft tijdelijk gebruik. Maar tegelijk wordt het tijdelijk gebruik geïnstrumentaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Voor de tweede maal op twee jaar vindt Parckdesign (een overheidsinitiatief) en Festival Kanal (een associatief initiatief) plaats, beiden op minder dan een kilometer afstand van elkaar; zullen we ook deze keer pop-up events te zien krijgen die accupunctuurgewijs in het stedelijk weefsel verschijnen en dan weer verdwijnen, of bestaat de mogelijkheid de tijdelijkheid te relateren aan een gezamenlijke lange termijnvisie? Hoe kan zoiets aangepakt worden?

  • Parckdesign is een tweejaarlijkse designbiënnale, georganiseerd door Leefmilieu Brussel o.l.v. Martine Cantillon en een winnend curatorenteam. Tijdens de editie van 2012 (GARDEN) werd een radicaal nieuwe koers ingezet : 11 wastelands in Kuregem werden onder handen genomen door artiestencollectieven als Raumlabor (DE), OST Collective (B-FR), Cascoland en Jeanne van Heeswijck (NL). Voor de editie van 2014 zal men werken rond PARCKFARM dat een aanzet zal geven voor het toekomstige park aan Thurn & Taxis met een vernieuwde aandacht voor participatie.
  • Kanalplayground is een initiatief van Platform Kanal, een open netwerk van personen die zich betrokken voelen bij de herinrichting van de Kanaalzone. In 2014 organiseren ze voor de derde maal Festival Kanal. Kanalplayground is een open oproep en nodigt uit tot het ontwikkelen van mobiele en demonteerbare installaties en een strategie voor de openbare ruimte rond het kanaal. Focus ligt op coproductie.

 

De Brusselse actoren

Tijdelijk gebruik kan dus verschillende vormen aannemen. Afhankelijk van de doelstellingen en de aanpak kunnen die in verschillende categorieën worden opgedeeld. Onderzoekster Aurelie De Smet geeft in haar proefschrift een eerste aanzet tot opdeling. Alle ‘tijdelijke gebruikers’ hebben gemeen dat ze snel en spontaan kunnen overgaan tot actie en dat ze aanvaarden om te werken in de bestaande omstandigheden. In ruil voor tijdelijke onzekerheid mag men gratis of tegen een lage prijs gebruik maken van de ruimte.

• de freeriders (2): neem bijvoorbeeld Arne Quinze’s Cityscape op de ProWinko-site aan de Gulden Vlieslaan. Gesponsord door BMW Mini en na het verdwijnen van de installatie plaats geruimd voor een stand van BMW. Ook ‘anti-kraak’ ondernemingen zoals Lancelot, Camelot en MFT die grote geldbedragen vragen aan eigenaars om aan de tijdelijke huurders een opzegtermijn te geven van drie weken passen in deze categorie. Geen lokale inbedding en tijd genoeg voor de speculanten om te kijken wat er gebeurt rond de site. Overgewaaid uit Nederland waar er een wetgeving bestaat waarin tijdelijk gebruik toegestaan wordt na een jaar leegstand. In Brussel bestaat dan weer een leegstandstaks die echter amper afgedwongen wordt.

• de stadsactivisten: voortgekomen uit het stedelijk activisme van de jaren negentig, met als schoolvoorbeeld de bezetting van Hotel Central. Festival Plein Open Air (Cinema Nova), Recyclart en verscheidene projecten van Citymine(d) (Limiet/Limite, Precare, PUM - Eggevoort) behoren tot deze groep. Aurelie De Smet verduidelijkt: “De lege plekken waren voor deze groepen zowel een symbolisch, intellectueel issue als een  een ‘material field for action’. Lege plekken zijn het gevolg van het falen van het ruimtelijke beleid van het modernisme, maar ze bieden ook een opportuniteit: ze vormden een interessant werkveld omdat ze op pragmatische wijze uiteenlopende en verrassende acties toelieten, waarbij de deelnemers elk toch hun eigen achtergrond en onafhankelijkheid konden behouden”.

• de newbeezz: nieuwe actoren, die een antwoord bieden op specifieke hedendaagse problemen en hoe een betere stad gerealiseerd kan worden. Brasserie Bellevue en ART2Work, Rue Royale 123, JES, alle actoren actief rond stadsmoestuinen, Pic Nic The/More Streets, … Aurelie De Smet: “Je kunt zeggen dat deze groepen door hun gebruik van deze plekken niet noodzakelijk de leegstand op zich aanklagen, maar wel dat deze plekken voor hen gewoon een platform zijn waarop ze hun projecten kunnen realiseren, die draaien rond ideologische opvattingen over een betere samenleving.”

Good practices

Desalniettemin zijn er signalen uit verschillende (buitenlandse) steden die aantonen dat er plaats is voor tijdelijk gebruik, of waarbij tijdelijkheid aangepakt kan worden met zicht op een langetermijnvisie.  In Berlijn zit tijdelijk gebruik vervat in veel stadsontwikkelingsprocessen. Het bekendste voorbeeld daar is Tempelhof Berlijn, het oude vliegveld dat nu (nog) een vrijzone is voor alle soorten tijdelijk gebruik. Een specifieke functie heeft de plek niet, en misschien is het net daarom is het zo’n succes. Het gebied staat wel onder druk van tal van stakeholders.

Maar ook dichterbij zijn er voorbeelden: in Gent werden aan de Stadsgassite (2000-2016) een aantal micro-interventies ondernomen: voetbalpleintje, volkstuintjes, openluchtcinema, een verkeerspark, buurtbarbecue, kleine kinderboerderij, een enorme zandbak, een ‘wisselbibliotheek’ en ook de Artcube een plek voor een sociaal-artistiek kunstenaarscollectief, waarvan er een aantal werden mee opgenomen in de uiteindelijke herontwikkeling. Om tot dit resultaat te komen werd voor het tijdelijk gebruik een coördinator en een technisch assistent aangesteld die als aanspreekpunt dienden voor zowel de gebruikers als de eigenaar van de site. Vijf vzw’s en drie diensten verbonden aan de stad Gent waren de betrokken actoren. Er is nu een Community Trust Fund die de eigenaar (projectontwikkelaar) aanmoedigt de initiatieven mee te ondersteunen. De Stad financiert mee.

Een ander voorbeeld is DOKGent, ‘een werfplek voor verpozing en creative manoeuvers’, waarbij de Gentenaars gedurende 3 jaar aan de Gentse dokken en geleid door een coöperatief van drie vzw’s verwend werden met optredens, theatervoorstellingen, moestuinen, een immens speelplein, conferenties, een bibliotheek... Dit project werd helaas niet blijvend ondersteund door de stad Gent, in de toekomstige herontwikkeling komt er wel een buurtcentrum.

Ook vermeldenswaard is het Meanwhile - Looking after our town centres- project in Groot-Brittanië (24 projecten in 17 steden), waarbij jonge ondernemers zich tijdelijk vestigden in leegstaande gebouwen in verschillende stadscentra. Dit project was vrij ‘top-down’ georganiseerd en het tijdelijk gebruik werd eerder als een noodoplossing beschouwd. Het slaagde er wel in om tijdelijk gebruik bekend te maken en te promoten bij alle verschillende actoren (ook de eigenaars van gebouwen en gemeenten) en het gaf een aanzet tot het creëren van een wettelijk kader hieromtrent. Dat gebeurde aan de hand van modelovereenkomsten en handleidingen (Meanwhile Lease, Meanwhile Licence for temporary land use, Empthy Shops Handbook, ...).

 

De opleiding ]Pyblik[ organiseerde dit najaar een themadag omtrent de uitdaging van het tijdelijk gebruik in de publieke ruimte. Samen met de bestaande literatuur, de conclusies van enkele proefschriften en de resultaten van de workshop Play The City worden de aanbevelingen voor het beleid rond tijdelijk gebruik steeds verfijnder. @PlaytheCity

Aanbevelingen voor BXL

De opleiding Pyblik organiseerde dit najaar (in samenwerking met Bral) een themadag omtrent de uitdaging van het tijdelijk gebruik in de publieke ruimte. Aurelie De Smet (LUCA en KULeuven) beëindigt op dit moment een doctoraat rond de rol van tijdelijk gebruik in de stedenbouw (in het kader van het Prospective Research For Brussels programma van Innoviris). Ze doet hierin ook een aantal aanbevelingen aan het Gewest. Ook Frederik Serroen en Julien Treragot (SteR*) en de curatoren van Parckdesign 2012 stellen een aantal vergelijkbare conclusies voor. We maken hier een kleine synthese:

Het beleid kan monitoren, faciliteren en steunmaatregelen nemen waarbij de spontaneïteit van de stad uitganspunt wordt van stedelijke ontwikkeling.

Systematische terbeschikkingstelling van het territorium, materiaal en kennis (gratis of aan een lage prijs).
• Er is een duidelijke juridische context nodig waarin een gedeelde verantwoordelijkheid bestaat en grensoverschrijdend gewerkt wordt.
• Er moet een juridische expertise ter beschikking worden. Het gebruik van procedures of typecontracten zouden de eigenaars gemakkelijker over de schreef krijgen.
• Het (nog niet) toepassen van de leegstandtaks combineren met een tijdelijk gebruik met een toegevoegde socio-culturele waarde en lokale inbedding.
• Er is nood aan een duidelijke regie en bemiddelende instanties, een stimulerende politiek met een activeringsinstrumentarium. Publieke diensten zoals Leefmilieu Brussel, de Brusselse Bouwmeester, of het ATO kunnen een rol spelen als moderator om eigenaar en kandidaat-gebruikers in contact met elkaar te brengen.
• Een meer evenwichtige grondpolitiek is nodig. Community Land Trust of bestaande strategieën zoals wijkcontracten kunnen als basis dienen voor een meer duurzame relatie met het territorium. Maar ook: groepspanden, een fonds voor ontsluiting van een betaalbaar aanbod van sites mogelijk te maken, openbaar beheersrecht.

Vanuit het veld kan er gezamenlijk gewerkt worden aan een database van pauzelandschappen en een ‘loket van de tussentijd’

• Het participatief verzamelen van info: geografisch, eigendomsstructuren, timing en toekomstplannen. Anticiperend werken met tijdelijk gebruik.
• Een gedeelde kennis inzake tijdelijk gebruik opbouwen. De realisatie van een tijdelijke interventie veronderstelt een palet aan specifieke expertise. De methodologie moet aangepast worden aan het publiek, regels over het gebruik van duurzaam materiaal, het onderhoud en het beheer moeten vastgelegd worden.

“Tijdelijke projecten moeten we als een vanzelfsprekend onderdeel van plannings-en het ontwerpproces beschouwen. Tijdelijke projecten betekenen een belangrijke meerwaarde voor de stad.  Ze zoeken op een   experimentele en soms heel praktische manier naar oplossingen voor de problemen waar traditionele ontwikkelingsstrategieën tekort blijken te schieten.”, schrijft Aurelie De Smet in haar proefschrift.  Bovendien is het een laagdrempelige manier voor de Brusselaars om zelf hun stad vorm te geven. Om dit waar te maken moeten we in staat zijn om ons de stad in te beelden vanuit de kleinst mogelijke schaal.

Muriel Claeys
(Met dank aan Aurelie De Smet)

(1) Placemaking is a multi-faceted approach to the planning, design and management of public spaces. Placemaking capitalizes on a local community’s assets, inspiration, and potential, ultimately creating good public spaces that promote people’s health, happiness, and well being. Placemaking is both a process and a philosophy.http://en.wikipedia.org/wiki/Placemaking)

(2) Een free rider, een term afkomstig uit de economische theorie, verwijst naar iemand die profiteert van middelen, goederen of diensten zonder te betalen voor de kosten van het surplus. De term "free rider" werd als concept ook toegepast in andere contexten, zoals ook in de psychologie en politicologie. (http://en.wikipedia.org/wiki/Free_rider_problem)

Literatuur:

• The need for freezones: informal actors setting the urban agenda. (Source: Reclaiming Urbanity: Indeterminate Spaces, Informal Actors and Urban Agenda Setting, Jacqueline Groth & Eric Corijn http://usj.sagepub.com/content/42/3/503.abstract)
• Urban Pioneers – Temporary Use and Urban Development in Berlin (2007)
• Urban Catalysts, the Power of temporary use, DOM Publishers, 2012. Klaus Overmeyer, Philippe Oswalt en Philipp Misselwitz werken al jarenlang op tijdelijk gebruik, gebaseerd op ervaringen in Berlijn en in overleg met academici.
• Over de rol van tijdelijk gebruik in de stedelijke (her)ontwikkeling. Voorbeelden uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.Aurelie De Smet .St- Lucas architectuur, Brussel & ASRO, KU Leuven.Doctoraatsproefschrift. 2009 -2013.
• Bewoonbaar verklaard. Het potentieel van collectief wonen in de talrijke leegstaande en onderbenutte infrastructuren in en rond Brussel.Julien Treragot, Frederik Serroen. STER. Master Stedenbouw en Stedelijke Planning. 2013.
• Parckdesign GARDEN 2012-2013. Conclusies. 11 wastelands redesigned in Anderlecht. Troussicot. Dudal. Lorent. 2013.
http://dokgent.be/
http://www.tienstiens.org/node/4941
http://www.meanwhile.org.uk