Als administraties buiten de lijntjes kleuren, wordt de stad vrolijk

BRAL droomde op vraag van Brussel Leefmilieu over een nieuw soort projectoproep. Onze suggestie? Stel: Leefmilieu Brussel werkt samen met 1 of 2 andere administraties, zoals de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF). En ook een aantal gemeenten doen mee. Samen creëren zij een kader waarbinnen bottom-up initiatieven weelderig kunnen openbloeien.

Dinsdagavond 24 juni. Ik zit rond een tafel met een klein groepje mensen met uiteenlopende petjes. Ambtenaren, een professionele coach van burgerinitiatieven, iemand uit de sociale innovatie en BRAL. Onze missie: een scenario uittekenen voor een nieuw soort projectoproep voor Leefmilieu Brussel waarbij burgercollectieven beroep kunnen doen op budget en begeleiding. Een mogelijke opvolger van Inspirons le Quartier/Vooruit met de Wijk. Niet dat Inspirons le Quartier gaat verdwijnen. Meer nog: tot oktober kan je een voorstel indienen. Vanavond is het iets heel anders, geen concrete opdracht, maar een pure denkoefening in het kader van het actie-onderzoek VILCO (la VILle COllaborative).  VILCO daagt ons uit, BRAL gaat erop in. A licence to dream!

Het uitgangspunt van ons groepje is tweevoudig. We willen mensen zoveel mogelijk stimuleren om van onderuit initiatief te nemen. En we willen beslissingsprocessen en het beheer van hulpgoederen democratiseren. Dan zou het gek zijn dat de administraties beslissen rond welke thema’s de burgers zouden werken. Het wordt dan zelfs logisch om uit de koker van leefmilieu te breken. Voor veel burgers die nu met Inspirons le Quartier een project indienen, zou dat aanvoelen als een bevrijding. Projecten gaan vaak meer over bijvoorbeeld sociale cohesie dan over ecologie pur sang.

Eigenlijk, bedenken we, moet Leefmilieu Brussel samen met andere administraties een projectoproep uit de grond stampen. Zodat projecten veel kanten uit kunnen. En in functie van het idee komt het budget telkens uit een andere hoek. Hee ja! Dat zou verfrissend zijn. Kennelijk hebben nog anderen gemerkt dat het bevrijdend is om buiten de lijntjes te kleuren. Tegelijk met ons zijn nog enkele andere groepjes aan het werk tijdens deze avond. Ook daar hoor je dat Leefmilieu Brussel moet samenwerken met andere administraties.

Wie het schoentje past, trekke het aan

Dat initiatieven van onderuit kunnen opborrelen, wil nog niet zeggen dat het ook de burgers zijn die het moeten uitvoeren. We willen het zaakje helemaal opentrekken. Alle initiatieven zijn welkom. Als mensen voorstellen dat een bepaald plein heraangelegd wordt of een bepaald gebouw van een gemeente een andere invulling moet krijgen, dan moet de gemeente natuurlijk mee in het bad.

Het kader moet een andere invulling toelaten van concrete projecten met telkens andere trekkers en uitvoerders. De criteria en procedure voor de toekenning verschillen naar gelang de schaal van het project.

Het kader moet dus toelaten dat concrete projecten telkens anders ingevuld worden, met telkens andere trekkers en uitvoerders. Het ene project kan gedragen worden door 3 of 4 bewoners; het andere door een vereniging; terwijl een derde misschien een megaproject is met een ingewikkeld consortium van burgers, verenigingen en overheid. Binnen dit kader krijgen piepkleine buurtprojectjes een plek naast dure kleppers met grote infrastructuurwerven. Dat wil zeggen dat de selectiecriteria en de procedure voor de toekenning van subsidies kunnen verschillen naar gelang de schaal van project.

Een oproep die geen oproep is

Onze opdracht is om een nieuw kader voor een projectoproep uit te werken. Maar is zo’n projectoproep wel een goed idee? Veel van dat soort oproepen lijden aan twee tekortkomingen.

  • Eén: ze zaaien concurrentie om schaarse middelen zodat veel kostbare maatschappelijke energie verloren gaat.
    Dat valt gelukkig heel goed mee bij Inspirons le Quartier, want volgens Leefmilieu Brussel krijgt zo’n 90% van de projecten groen licht. En afwijzing heeft er doorgaans mee te maken dat een project eerder thuis hoort in een ander kader. De voorstellen worden dan ook eerder doorverwezen dan in de steek gelaten.
  • Maar er is nog een tweede standaardeuvel en daar wringt het schoentje in dit geval. Bij een projectoproep wacht de overheid passief tot de voorstellen binnenstromen.
    Een groot deel van de Brusselaars bereik je op die manier niet. Veel mensen zijn het niet gewoon om over zichzelf te denken als actoren die de stad mee maken. Om ook hen maximaal te stimuleren om aan de slag te gaan, moeten we het stuur omgooien. Laat ons naar hen toe stappen, hen opzoeken op straat, op café of sociaal restaurant, voor de schoolpoort, … Onze aanpak met ‘connecteurs’ in het project CitizenDev kan dienen als model voor zo’n manier van werken. Ook het Parckfarmmodel waarbij een curator aangesteld werd om op zoek te gaan naar ideeën in de wijken, is een goed voorbeeld. Met zo’n aanpak kom je ook tot samenwerkingen, want je kan mensen met gelijkaardige of compatibele ideeën met elkaar in contact brengen van bij het begin.

“Veel mensen zien zichzelf niet als actor in de stad. De overheid kan deze mensen stimuleren om aan de slag te gaan door hen op te zoeken op straat, café of sociaal restaurant, …”

The time is now

Is dit een wild vliegend ballonnetje? Misschien wel. Maar zo moeilijk is het niet. De Franse en Vlaamse gemeenschap hebben samen al een projectoproep met de naam ‘CultuurCulture’. Waarom zouden andere samenwerkingen dan niet kunnen? Het moment is in elk geval ideaal. Binnenkort hebben we hopelijk een nieuwe gewestregering en een nieuw VGC-College. En ook de schepencolleges ruiken nog vers. Een ideaal moment om uit te pakken met een innovatief model van cocreatie. Een vorm van beleid waarbij verschillende overheden samenwerken, met elkaar en met de civiele maatschappij, in een nieuwe rol als facilitator. Go dames en heren!

Piet Van Meerbeek