Conflict of consensus? Een dilemma voor de democratie

Een nieuwe bottom-up beweging mikt op gedragsverandering en harmonie. Maar kunnen we de samenleving verbeteren zonder conflict? Is het mogelijk om de rechten van alle bevolkingsgroepen te garanderen zonder sociale strijd? Een BRAL-debat in BOZAR op 29 mei 2018.

We zien de laatste jaren een groeiende polarisering tussen politieke stromingen én tussen groepen in samenlevingen over heel de wereld, voortgedreven door populistische bewegingen en partijen. Die polarisering draait sterk rond de thema’s identiteit en soevereiniteit en stelt onze concepten van vrijheid en gelijkheid in vraag. Maar daarnaast zien we een tegenbeweging uit progressieve hoek, in de vorm van een nieuwe bottom-up beweging. Veel initiatieven mikken op een individuele transitie. Die tegenreactie - die ecologisch, sociaal en zelfs bijna spiritueel is - werkt heel expliciet toe naar consensus, ‘le vivre ensemble’. Ze neemt afstand van conflict en zelfs van het expliciet politieke.

Maar gaat een focus op consensus niet voorbij aan de inherente machtsverschillen in de samenleving en aan de diepe emoties die daarmee gepaard gaan? Is het niet de rol van politiek om een uitweg te bieden aan die emoties? En is het niet de rol van links en van het middenveld om ongelijkheid en dominantie aan te klagen? En als afsluiter: kunnen groepen die opkomen voor fundamentele rechten iets leren van de aanpak van de transitiebeweging en vice versa?

Drie sprekers gaan het gesprek aan met de aanwezigen op het debat georganiseerd door BRAL, Crosstalks en Bozar, in Bozar op 29 mei 2018.

Veerkracht én verzet

Weinig burgercollectieven focussen zo sterk op samenwerking en sensibilisering als de transitiebeweging (hier vindt u meer informatie over de transisitiebeweging), een netwerk van transitiegroepen dat nu al zo’n tien jaar aan de weg timmert. François-Olivier Devaux, stafmedewerker van Réseau Transition, was dus een evidente gastspreker.

“Transitie gaat over zorg dragen, voor onszelf, de anderen ende wereld” zegt François-Olivier.  “Het heeft dus een innerlijke zowel als een collectieve component.”

Een belangrijk concept voor de transitiebeweging is veerkracht. De veerkracht om alle vormen van crisis aan te kunnen. Dit brengt experimenteren en veelvuldig testen met zich mee. Een transitiegroep heeft een laboratoriumfunctie.

“Binnen het idee van veerkracht zijn diversiteit en inclusie sleutelbegrippen” gaat François-Olivier verder.  “We moeten diversiteit cultiveren om veerkrachtig te zijn. We moeten verschillende eigenschappen kunnen verbinden. .”

Meteen nuanceert François-Olivier de tweedeling conflict – consensus. “Binnen de aanpak van de transitiebeweging is er niet alleen aandacht voor résilience/veerkracht maar ook voor résistance/verzet. Het gaat om twee zeer verschillende vormen van aanpak. Etterbeek en transition  bijvoorbeeld , is antinucleair en hebben een uitgesproken visie over dit thema. We willen ruimte creëren om hier over te discussiëren en werken daar hard aan. We proberen te begrijpen welke de raakpunten zijn tussen verschillenden meningen. Binnen de verschillende standpunten proberen we eenheid te vinden. Conflict is belangrijk maar om vooruit te kunnen gaan, moet er ook gepacificeerd worden.”

Tenslotte voegt François-Olivier nog toe dat verzet (résistance) en veerkracht (resilience) mensen moet aanspreken. “Je kan via ludieke acties interesse aanwakkeren, zin voor samenwerking, zin om mee te denken... Dit is een continue uitnodiging voor iedereen, waaruit veel moois kan groeien.”

Hard protest mag/moet

John’s Mbulula, verantwoordelijke voor de werking rond asielzoekers bij de MRAX, Mouvement contre le Racisme et la Xénofobie en actieve pleitbezorger van het zwart-Afrikaanse karakter van Matonge binnen diverse burgercollectieven, vertelt een ander verhaal: als burger met een andere huidskleur maakt conflict deel uit van je dagelijks leven. “Ik ben naar België gekomen uit een ander land waar zelfs de meningsuiting niet vrij is. Wij in Afrika denken dat je in Europa meer vrijheid hebt als mens. Dat zien we ook op tv en lezen we in boeken. Maar dan kom je uit een conflictgebied hier toe, als ‘vreemdeling’, en ontdek je dat je niet dezelfde rechten hebt als de die van hier. Je bent ‘anders’. Maar je voelt je mens, je hebt toch dezelfde rechten. Zwart, blank, wat maakt het uit?”

John’s wijst ons er op dat het systeem in België nog altijd gekleurd en racistisch is. Vandaag worden vreemdelingen nog altijd gestigmatiseerd: ‘ze pakken ons werk af’, zijn ‘gewelddadig’. Maar in werkelijkheid zijn het mensen die een oorlog zijn ontvlucht of gewoon een beter leven zoeken. Immigranten worden geconfronteerd met kwalijke politiek die hen als tweederangs beschouwt. John’s wijst op de tweedeling tussen wie bezit en wie niet, wie mag en niet mag. Hij wijst op het onrecht. Ook militanten zijn nog altijd deel van dit systeem.

“Dat alleen is voor mij al een conflict” zegt John’s. “Dan zijn er twee mogelijkheden: je accepteert het of je denkt: ik heb hersens, twee armen, een hoofd. Ik accepteer niet dat ik tweederangsburger ben.” John’s concludeert dat mensen oppositie voeren tegen dit -ongelijke en onrechtvaardige- systeem dat mensen blijft onderdrukken.

John’s richt zich tot François-Olivier Devaux. “Ik begrijp uw methode ook wel, waarde vriend, meer individueel, mensen helpen om hun fouten in te zien. We maken de aarde kapot. Maar er is ook politiek, een systeem dat ervoor zorgt dat GMO’s op de markt komen, pesticiden worden gebruikt… Het is business. En die praktijken verwoesten ook de aarde en onze gezondheid. Het belang van de één primeert boven dat van de ander. Als je aan het langste eind trekt, dan denk je niet na over de Afrikanen die verdrinken in de Middellandse Zee. ‘Wat kan mij het schelen?’ In een dergelijke situatie moet, wil en MAG je dat onrecht stoppen. Soms ook radicaal. Hard. Want het onrecht kan ver gaan: moord, ziekte… Dus dan mag er ook hard geprotesteerd worden. Ja. Soms is conflict nodig. Om de machtsverhoudingen te veranderen, het systeem om te gooien. In het belang van de sociale vrede.”

Bedreigt samenwerking de inclusie?

Thomas Dawance, projectmedewerker bij de Community land Trust Brussel, en lid en ex-voorzitter van de vzw Woningen 123 Logements, doet een poging om conflict en consensus te verzoenen. Hij focust daarbij op het recht op wonen, via de ‘niche’ van tijdelijk gebruik van leegstaande ruimten.

“De bewegingen uit de jaren zeventig waren ‘tegenprojecten’. Zij kwamen op voor een andere visie op de stad, als verzet tegen de Bruxellisatie en de druk van de vastgoedsector. De stad leek toen vol lege ruimte. Daarin schuilde ook een vrijheid waaruit van alles kon ontstaan” vertelt Thomas.

Vandaag is er minder en minder leegstand en zijn er meer en meer actoren die lege gebouwen beheren. Thomas wijst er op dat de vrijheid plaats gemaakt heeft voor concurrentie. De eigenaars van lege gebouwen zijn vandaag veel meer geneigd om hun gebouw toe te vertrouwen aan mensen met wie ze snel een consensus kunnen bereiken. We zien daarbij een nieuwe neoliberale anti-kraak-aanpak uit Nederland overwaaien. Het is een systeem dat voordeel biedt aan een witte middenklasse die het tof vindt om met enkele vrienden in een groot leeg pand te wonen, als tijdelijke concierge, en die geen woonzekerheid eist. De kraakinitiatieven zijn daar de dupe van.

Thomas onderstreept het inclusieve karakter van de krakersbeweging. Het gaat om een samenlevingsmodel waar de sans papiers en de thuislozen samenleven met militanten uit de middenklasse, vaak uit een artistiek milieu. Solidariteit staat er echt centraal. Het doel is te strijden tegen een onrechtvaardige maatschappelijke orde die onderdrukt.

Er is een tiental jaar geleden een samenwerking ontstaan tussen de anarchistische kraakbeweging en de verenigingen voor het recht op wonen, toont Thomas aan. Die twee zijn naar elkaar toe gegroeid. Samen hebben ze er voor gezorgd dat de overheid geleidelijk aan meer gebouwen ter beschikking stelt. Dat gebeurt nu via oproepen tot tijdelijk gebruik van sites en gebouwen. Volgens Thomas is dat enerzijds een mooi resultaat van de strijd maar anderzijds houdt het een risico in: dat van een professionalisering die eerder top-down werkt dan bottom-up en die een bestuurlijke logica meebrengt. Een logica die tegen de oorspronkelijke weerbarstigheid van de kraakbeweging in gaat. De idee van samenwerking blijft nog wel bestaan maar de inclusie en de empowerment die er absoluut deel van moeten uitmaken, worden vaak vergeten. Een heel deel groepen blijft uitgesloten. De parallel met de anti-kraakwet is duidelijk.

Cocreatie, een utopie?

Er volgt een levendige discussie met de zaal. We geven een greep uit de interventies:

“Cocreatie is, vrees ik, iets voor de blanke middenklasse maar niet voor de mensen die het moeilijk hebben, zoals illegalen. Voor hen blijft het ontzettend moeilijk om een overheidsgebouw op te eisen. Ik vrees dat hun strijd nog altijd verder gestreden moet worden.”

“We spreken hier over een georganiseerde precariteit[1], een absolute uitsluiting uit het systeem. Sans-papiers bestaan officieel niet eens. Het Gewest kan zeggen: wij willen sans-papiers wel toegang geven tot onze overheidsgebouwen. Maar wie gaat de illegalen daar beschermen? Zonder papieren, geen rechten.at is de harde werkelijkheid. We moeten de regels veranderen.”

“Het is heel moeilijk om een cocreatieproces op te zetten als je moeilijk kan communiceren of als je op een andere manier omgaat met tijd. Dus veel van die saaie redenen zorgen er voor dat je altijd hetzelfde publiek ziet op bepaalde processen.”

“Conflict is het moment waarbij mensen weigeren te praten over hun meningsverschillen. In het debat over het kraken zie je ook dat sommigen niet meer bereid zijn om nog te praten.”

“Het is evident dat mensen het niet over alles eens kunnen worden. Gevarieerdheid van ideeën moet je respecteren. Maar in een discussie moet je kunnen leren leven met het idee van een ander en niet meteen ‘neen’ zeggen maar je laten overtuigen door argumenten. Daarom lijkt ‘consentement’, instemming, een waardevoller concept dan consensus. Maar instemmen met de standpunten van een ander vergt veel dialoog en mensen hebben daar vaak geen tijd voor of zin in.”

“We moeten opletten niet enkel mensen ‘zoals wij’ aan te trekken, binnen de kraakbeweging of andere. Dan blijven we zitten met mensen die zijn zoals wij: fietser, vegetariër, antinucleair… Daarom moeten we blijven zoeken naar manieren om diversiteit te bevorderen en niet zelf te uniformiseren. We moeten altijd opletten niet zelf een systeem te worden, niet in de valkuilen te trappen die we oorspronkelijk bekritiseerden.”

Is de overheid klaar voor cocreatie?

 “Conflict en consensus zijn complementair maar echte co-creatie tussen bevolking en overheid, op voet van gelijkheid en vertrouwen, is nog altijd heel moeilijk en zeldzaam. Er is veel wantrouwen. Veel initiatieven worden toch nog altijd van bovenaf geleid. Politiek blijft primeren. Men is hier nog niet zo volwassen als in andere landen dat de overheid het kader creëert en vervolgens de bevolking toestaat om binnen dat kader projecten te lanceren.”

 “Als we met het middenveld en burgerinitiatieven zouden kunnen samenwerken, zouden we al veel verder staan. Maar vaak stellen we de verkeerde vraag; dan vragen we ons af hoe we de ander kunnen overtuigen om ons te versterken en we vragen niet wat wij kunnen doen om de strijd van de ander te steunen.”

“Maar de commonsbeweging gaat ook over de transformatie van de staat. Voor mij is er geen ‘commons’ als de staat niet betrokken is. De commons zijn geen loutere optelsom van initiatieven van zelfbeheer. Maar binnen de huisvestingssector of binnen de migratieproblematiek vindt de overheid nog altijd dat ze het antwoord in pacht heeft. Als bottom-up beweging moet je dus wel een machtspositie opbouwen. Als kraakbeweging moeten we ons ook laten horen.”

“De vraag is ook: is het concept van de democratie nog solide? Ik denk dat we het moeten herdenken. Ik trek het systeem in twijfel waarbij verkozenen alles beslissen en kiezers moeten ondergaan. Sommigen zullen zeggen dat democratie helpt om conflicten te voorkomen. Maar zitten we wel echt in een democratie?”

[1] Precariteit: “Het is een toestand van onzekerheid, waarin je niet meer bij machte bent je toekomst te voorspellen, om een bepaalde sociale zekerheid te hebben waarmee je sociale relaties en gevoelens van affectie kan construeren.”