Verslag Korte keten festival

Een kaduuk agro-economisch systeem en niet de stadsplanning ligt aan de basis van de moeilijke relatie tussen Brussel en landbouw. ‘The horizontal metropolis’ en haar lintbebouwing zijn niet half zo nefast als urbanofielen denken.Ons voedsel moet meer dan tweemaal zo duur worden. Deze opmerkelijke standpunten vielen te noteren tijdens het eerste korte keten festival op vrijdag 21 september in de Beurschouwburg. Een verslag van een leerrijke dag. 

Het Beurscafé is een aangename plek om te vertoeven. De akoestiek is er goed, de stoelen zitten aangenaam en de koffie is er lekker. Onze dag start met een politieke noot. Minister Sven Gatz. Hij gaf blijk van interesse in het thema en beloofde een open dialoog. “Veel stadsbewoners denken dat ze op eiland leven” aldus Gatz. Hij ziet in dat de overschakeling op de korte keten “een mentale sprong en pedagogische oefening” vereist. Wanneer hij verder stelt dat de zaal vol zit met “praktische en pragmatische mensen die oplossingen zullen vinden”, zet Gatz de toon: de oplossingen moeten van ons (burgers) komen. Het beleid heeft geen antwoorden.

Wat houdt de term ‘korte keten’ eigenlijk in? In tegenstelling tot wat je zou kunnen denken, hoeft dat ‘korte’ niet altijd te duiden op geografische afstand. De ‘korte keten’ kan ook gezien worden als een manier voor de consument om zo rechtstreeks mogelijk bij de producent te kunnen aankopen. Natuurlijk is dit veel eenvoudiger als ook het aantal kilometers beperkt zijn, zeker omdat transport en logistiek extra tussenstops en verliesposten zijn. Concreet: als u morgen bij de boer wortels gaat kopen, is dat korte keten. Maar als u morgen koffie koopt bij een direct trader, dan kan dat ook als ‘korte keten’ worden aanzien. ‘Kan’, want hier heerst er geen eensgezindheid over. Waar iedereen het wel over eens is? De korte keten moet garant staan voor eerlijke prijszetting en transparantie voor zowel producent als consument.

Over stedelijkheid en productie

De eerste spreker is onze bouwmeester (Kristiaan Borret). Hij begint met een opvallende foto: de betoncentrale op de Léon Monnoyerkaai. Een mooi beeld, productiearbeid op een steenworp van het centrum. “Real urbanity includes production” zegt Borret. De geschiedenis leert ons dat de stad een plek was waar er arbeid verricht werd. Waar dingen werden gemaakt. De huidige stad wordt er eentje van consumptie. Resto’s, cafés en winkels hebben de plaats ingenomen van fabrieken, brouwerijen, slachthuizen… Dit zorgt er voor dat alles van ‘buitenaf’ moet komen. Volgens Kristiaan Borret richt de stad van morgen productieplekken in, die nauw verbonden zijn met woningen. Als voorbeeld neemt hij Brasserie de La Senne. Deze brouwerij op de Gentsesteenweg verhuist naar Tour & Taxis. Ze krijgen een duidelijke plek in het straatbeeld tussen de woningblokken van de kanaalzone. Zo hoort het ook volgens Borret: “Kids should know where stuff is made”.

Maar wat dan met landbouw? Landbouw begint bij grond en die is schaars in Brussel. De voorbeelden (Peas and love, Groot eiland, paddenstoelenkwekerijen) tonen volgens hem aan dat het economisch niet haalbaar is, tenzij het gaat over nicheproducten. Uit het publiek kwam een vraag over de kwaliteit van de geproduceerde groenten in de stad. Een aanwezige stadslandbouwer vertelde dat de kwaliteit wel goed zit op surrogaat bodems maar dat het enorm veel energie (voedingsstoffen en andere) kost omdat na een fikse regenbui de vruchtbaarheid uit surrogaat grond wegspoelt. Een belangrijke kanttekening.

Over voeding en landbouw

Laurence Claerhout van Linked.farm opent met een droom. “We want to become the ecopower of the short chain supply”. De zaal roert zich wat. Ze willen de korte keten verspreiden “beyond ideology”.  Welke ideologie? Wel, het blijkt dat er bij de boeren onderling onenigheid heerst. De ene kweekt op de gangbare manier, de andere biologisch. Sommige sluiten zich aan bij het CSA-netwerk terwijl andere dit niet doen. Linked.farm wil deze keuze’s overstijgen in functie van de korte keten.
Ook de taalbarrière maakt -zo zegt Claerhout- het er niet makkelijker op. Bovendien staat de politieke structuur (gemeente, gewesten, provincies) ook in de weg van efficiënt gebruik van de korte keten. Als u dacht dat het hierbij bleef, think again. Want bovenop al deze ontastbare barrières zitten we ook met een fysieke barrière, namelijk files. De kleinschalige landbouwers verliezen enorm veel tijd met leveringen binnen brussel waardoor ze eenvoudigweg de tegenovergestelde richting kiezen. Dat Brussel kampt met een verschrikkelijk mobiliteitsprobleem, is voor niemand in de zaal een verrassing.

Uiteraard ligt het niet allemaal bij de producenten. Ook bij de consument is werk aan de winkel. Brusselaars (en de andere Belgen) hebben vaak geen weet van onze ‘produits de terroir’ en lopen verloren tussen de labels en benamingen. Dit begint van onderuit, in de scholen, maar ook volwassenen geven volgens Claerhout te weinig om de oorsprong van voeding. De overheid, als laatste, grijpt nauwelijks in. Er is te weinig echte interesse. Het is net daarom dat linked.farm het zelf wil doen. Net zoals EcoPower dat deed op vlak van duurzame energie, vandaar haar kordate opener en tevens slotcitaat. “We want to become the ecopower of short supply chain”. 

Over voeding en de kostprijs

Marjolein Visser, een dame die recentelijk in de krant verscheen met een artikel over de werkelijke kost van voeding, licht haar eerdere uitspraak in de pers toe. “It should be more than twice as much”. Wat volgt is een presentatie met duizelingwekkende cijfers uit Engeland. De conclusie? Voor elk uitgegeven Britse pond op het kasticket legt de gemeenschap er nog een bovenop. Zo is de kost van gezondheidsgevolgen door slechte voeding bijna 45 miljoen pond terwijl de overheidssteun voor boeren maar 9 miljoen pond bedraagt. Daarenboven kost de teloorgang van biodiversiteit en bodemverontreiniging de Britten jaarlijks 32 miljoen pond. Visser benadrukt dan ook dat de stedelijke worsteling met de korte keten eerder een economisch probleem is dan wel het gevolg van slechte stadsplanning of het gebrek aan plaats. Ze valt Claerhout bij door te stellen dat het subsidiesysteem van de overheden de zaken er enkel maar op achteruit doen gaan. Visser pleit voor een nieuw soort voedingseconomie. Zo houden we het niet vol, dat staat voor haar buiten kijf. 

Over verpaarding en familieboerderijen

Maarten Roels had een interessante grafiek mee. Een staafdiagram dat de daling van het aantal boerenbedrijven in kaart bracht. Al 15 jaar lang verdwijnen er 43 boerderijen per week. Naast het evidente verlies in productie, gaat zo ook kostbare en vruchtbare grond verloren. Vaak worden die paardenweide of golfterrein. Zones waar kleine familiale boerderijen beperkte hoeveelheden voeding voor de grootstad zouden kunnen produceren gaan op in amusement voor de gegoeden. Daar wil Terre en Vue iets aan doen. Terre en vue is een VZW, een fonds en een coöperatieve die landbouwgrond opkoopt en en verhuurt zodat ze kan blijven wat ze is: grond waarop aan landbouw wordt gedaan. Ze werken samen met boeren die kleinschalig werken en op zoek zijn naar nieuwe, of extra grond. Roels ziet net zoals Claerhout van Linked.Farm heil in beter bestuur en scholing. De “caloriesubsidies”, de vage regelgeving rond de verkoop en bestemming van landbouwgrond, het gebrek aan businessopleidingen voor boeren... Al deze zaken staan voor hem in de weg van een efficiënte korte keten. De rol van Terre en Vue in de korte keten is duidelijk: voorzien in grond. En zoals de Bouwmeester al liet weten: landbouw begint bij grond.

Over de parasiet die Brussel heet

Michiel Dehaene van UGent kwam met een boude uitspraak. De kenmerkende verspreiding en lintbebouwing, typisch voor de rand, is volgens hem niet zo nefast als we zouden denken. De Stad is een parasiet van de rand, heet het. Historisch gezien zijn het de rijke stadsbewoners en beleidsmakers die het arme werkvolk uit de stad duwde. Dit arbeidersvolk kwam dagelijks naar stad met de ‘boerentram’. Deze eerste pendelaars waren uitermate capabel om zichzelf van voeding te voorzien. Zo ontstonden er in de rand kleinere dorpen waar woningen en kleinschalige landbouw in harmonie samenleefden. Het is net door het verstedelijken van deze gemeenten dat de landbouw werd teruggedreven. Daarom stelde Dehaene openlijk de vraag of de stad wel überhaupt de toekomst moet of kan zijn. Naar zijn gevoel wordt de ‘compact city’ te veel verheerlijkt. Wegens een gebrek aan tijd, raast Dehaene door zijn slides over “the horizontal metropolis”. Een foto van de eerste grote rioleringsinfrastructuur illustreert zijn verhaal zeer goed: de stad begon op een bepaald moment hun afval naar buiten te duwen, in plaats van het zelf te verwerken. Zo ook hun arbeiders, fabrieken en boerderijen. Productie was de chique binnenstad onwaardig.

Over de schoonheid van het Pajottenland

Als laatste kwam Alwin Loeckx van Regionaal Landschap Pajottenland en Zennevallei een ode brengen aan ons hinterland. Op nog geen 22 km van het centrum vind je de mooie heuvels van het pajottenland. Het zou een prachtige plek kunnen zijn om de Brusselaar te onderwijzen. Onderwijzen over onze eigen streekproducten en hun producenten. Er is een toestroom vanuit Brusselaars in de vorm van wandelaars en fietsers. Dat wil Loeckx graag uitbreiden. Hij wil de mensen warm maken voor de korte keten door het maken van een emotionele connectie. De zaal lust er wel pap van. Het was een mooie afsluiter van een informatierijke dag in de Beursschouwburg.