Van droom naar daad - 3) Leefbare wijken in een compacte en groene stad

Een ecologisch duurzame stad is een compacte stad, waar je dicht bij elkaar woont rond openbaar vervoer, wandel- en fietswegen. Een stad met leefbare wijken. Winkels en groene ruimte zijn ook eenvoudig bereikbaar en vlakbij. De stad gaat slim om met haar grond: ze breidt niet uit als een olievlek en waardeert de open ruimte die haar omringt. BRAL werkt al jaren aan het verwezenlijken van haar visie van een compacte en groene stad. In Brussel is er nog heel wat onbenut potentieel in de vorm van heel veel leegstand. We moeten ook beter gaan verdichten, met aandacht voor vergroening, klimaatadaptatie maar zeker ook betaalbaarheid. Er is nood aan een duurzame en rechtvaardige herverdeling van de publieke ruimte in Brussel.

Vergroenen

De toegang tot kwalitatieve groene ruimten is in Brussel ongelijk verdeeld, zeker in het dichtbebouwde centrum van de stad in vergelijking met de buitenste gebieden. Daar zijn we in Brussel dankzij corona allemaal aan herinnerd. Vergroening hoort een van de speerpunten te zijn van elk stadsvernieuwingsproject, zeker in dichtbevolkte stadsbuurten. Groen is idealiter geïntegreerd in het hele stadsweefsel. Dat betekent dus ook dat kwalitatieve groene ruimten dichtbij zijn voor elke Brusselaar. 

Het belang van contact met de natuur voor het welzijn van de mens, is immens. Groene infrastructuur draagt bij tot mentale en fysieke gezondheid en tot socio-economische voordelen voor de buurt. Een betere levenskwaliteit zorgt er ook voor dat mensen in de stad blijven wonen.

Brussel kan pas écht compact zijn als haar wijken leefbaar zijn. In leefbare wijken is de openbare ruimte kwalitatief hoogstaand, is er plaats voor spel, ontmoeting en groen. Gelukkig is er daar ook plaats voor. Denk maar aan het gedeelte van de openbare ruimte dat voorbehouden is voor auto’s. Deze baanvakken en parkeerplaatsen zijn in feite de laatste grondreserves in het centrum van de stad en het is belangrijk ze veel polyvalenter te gebruiken, dus ook voor stedelijk groen. Ook buiten de publieke ruimte is er plaats om extra te vergroenen, bv in (collectieve) binnengebieden, op daken en (in mindere mate) aan gevels. 

Het is belangrijk dat onze straten uitgroeien tot echt groene linten door de stad. Het Gewest moet inzetten op actief ontharden van de publieke ruimte. Eerst door het in kaart brengen van de plekken die onnodig verhard zijn, dan door die plekken aan te pakken. Een ambitieuze onthardingsvisie laat toe om meer groene publieke ruimte te creëren. 

Een meer sturende reglementering kan helpen om die principes vorm te geven. Waarom niet experimenteren met regels om de groene verbindingen tussen parken zelf ook verplicht meer te vergroenen, of om de omgeving rond scholen verplicht groener in te vullen. Dan kunnen we binnen 15 jaar door de stad wandelen via een netwerk van 'parkstraten', een nieuw statuut van openbare ruimte. En gaan onze kinderen naar school in hun 'groene schoolomgeving' of 'groenzone school'. Zou dat niet schitterend zijn?

Verdichten

Een compacte stad betekent ook dat we Brussel kwalitatief moeten verdichten. Een gezonde densiteit maakt het mogelijk om in de wijken van Brussel een gevarieerde leefomgeving te voorzien, met kwalitatieve voorzieningen, zoals scholen, winkels, bakkers, ruimte om te sporten en te spelen, bereikbaar openbaar vervoer, … Het wordt allemaal pas rendabel als ze voldoende mensen kunnen bedienen. 

Daartoe moeten voorzieningen lokaal zijn, zodat alles zonder auto bereikbaar is. Tegelijk maakt een goed voorzieningenniveau natuurlijk ook deel uit van de leefbaarheid. Omdat de wijk dichtbebouwd is, kan je te voet of per fiets naar de bakker, slager, supermarkt of school. En het openbaar vervoer is nooit veraf. Hoogwaardig openbaar vervoer moet de wijken in Brussel met elkaar verbinden, en vanuit elke wijk snel en vlot bereikbaar én toegankelijk zijn: met een hoge frequentie en een goede doorstroming, en zoveel mogelijk trams of bussen in eigen bedding. Minder autoherrie dus, én een gezondere lucht. 

Een belangrijke voorwaarde voor de kleine zelfstandige is dat er genoeg volk woont om zijn waren te kopen, het draagvlak moet voldoende groot zijn. Daarom is er een minimumdichtheid vereist. Stedenbouwkundigen hanteren 2000 tot 5000 inwoners binnen een straal van 200 tot 600 meter als richtlijn voor een buurtwinkel. Als er veel voorbijgangers zijn in de wijk omwille van een doorgangsweg, school of bedrijf, dan zijn ook zij potentiële klanten voor de winkels.

Het is een vergissing om de plaatselijke middenstand te laten concurreren met perifere winkelcentra met parkeerplaatsen als verkoopargument. Lokale handel moet ondersteund worden, dat kan door een ambitieus grondbeleid dat de prijzen van commerciële oppervlaktes betaalbaar houdt.

Verdichten betekent niet betonneren, integendeel. Een hogere verdichting moet het mogelijk maken om groenblauwe ruimtes voor mens, dier en plant te voorzien. Een van de sleutels voor een goede densiteit is variatie. Een leefbare stad is immers een evenwichtsoefening: een groot aantal bewoners combineren met behoud van openbare ruimte en biodiversiteit. Door te spelen met volumes en in de hoogte te gaan, kan je genoeg densiteit creëren om ruimte vrij te houden voor parken, buurtgroen en water.

Biodiversiteit en klimaatrobuustheid

We riskeren vandaag miljoenen diersoorten te verliezen. Het globale verlies aan biodiversiteit heeft een impact op ieder van ons en overtuigt ons om in actie te schieten. In Brussel moeten we dan ook de bestaande natuur beschermen en verbinden in een ecologisch netwerk, als groenblauwe vingers doorheen de stad, ook in het centrum. Als de natuur in Brussel rijker wordt, dan heeft dat ook een positief effect op de biodiversiteit erbuiten.

We kunnen ons in de stad verwachten aan wateroverlast, hitte en droogte door de klimaatopwarming. Het is mogelijk om ons hierop te voorzien als we nu van start gaan. Te beginnen met terreinen die nu water doorlaten zo te laten en zelfs zo veel mogelijk terreinen te ontharden die nu geen water doorlaten. Water heeft plaats en volle grond nodig om rustig te kunnen infiltreren in de bodem. Als we het aantal waterpartijen doen toenemen, dan kan het terrein meer water opslaan bij overvloedige neerslag.  Als de grond minder verhard is, is er ook minder hittestress. Dit vergroot de veerkracht tegen droogte en zorgt voor verkoeling. Deze verkoeling kunnen we via een groenblauw netwerk doortrekken richting centrum. 

Dieren moeten zich eveneens aanpassen aan een veranderend klimaat. De klimaatverandering zorgt voor een migratie van zuidelijke soorten naar het noorden. Niet enkel landbouwgebieden belemmeren deze migratie, ook de stedelijke omgeving. De Brusselse groene ruimten bewaren om deze migratie te bevorderen is een deel van de oplossing.

Een betaalbare stad om in te wonen

Voor veel Brusselaars zijn de huur- en koopprijzen in Brussel te hoog. Brussel kent veel rijkdom, maar helaas ook veel armoede. Ook in Brussel is er nog veel werk te doen om het recht op een kwaliteitsvolle huisvesting voor iedereen te waarborgen. Het aandeel sociale huisvesting moet daarom drastisch omhoog. Voor publieke gronden willen we dat 50% van de woningen die zullen gebouwd worden sociale woningen zijn. Daarnaast zijn er ook privéterreinen. We willen hier dat de bouwheer minstens 15% sociale woningen realiseert in privéprojecten met meer dan 1000 m² woningen en minstens 25% voor privéprojecten van meer dan 10.000 m² woningen. Zulke normen zijn belangrijk omdat ze zowel ontwikkelaars als overheden dwingen om concrete stappen te zetten en dus hun verantwoordelijkheid op te nemen. De middelen van de stedenbouwkundige lasten moeten dan ook naar sociale huisvesting gaan. 

Een deel van de middelen om die omslag naar meer en betere sociale huisvesting te bekostigen moet komen uit de stedenbouwkundige lasten, maar Brussel zou ook dringend werk moeten maken van een planbatenheffing. Dit is een belasting op de meerwaarde die een perceel krijgt door een bestemmingswijziging. Dat is bijvoorbeeld het geval bij bestemmingswijzigingen waarbij onbebouwbare gronden herbestemd worden tot woonzone of wanneer er een woontoren mag gebouwd worden in een kantoorzone. Als men om een goede reden een privé-ontwikkelaar plots toelaat extra geld te verdienen, moet men klaar staan met een systeem om een (ferm) deel van die extra winst af te romen. Dat is dus au fond iets anders dan de stedenbouwkundige lasten. Dat laatste is een tussenkomst van de privé projectontwikkelaar in de investeringen die de overheid moet doen doordat hij een vastgoedproject van een bepaalde omvang bouwt. 

Leegstand is verwaarloosd potentieel

Brussel kent meer dan 6 miljoen vierkante meter leegstand, een enorme verwaarlozing van potentieel. BRAL heeft samen met heel wat organisaties die leegstand tot de “20ste gemeente van Brussel” gedoopt: Leegbeek. “Kantoorcomplexen, herenhuizen, appartementsgebouwen, voormalige industrieën: geen enkel type gebouw wordt gespaard door leegstand in Brussel. Het is deze diversiteit die Leegbeek tot een gemeente met duizend facetten en mogelijkheden maakt.”

Die leegstand moet aangewend worden om heel wat stedelijke noden aan te pakken, zoals huisvesting of creatieve reconversie voor productie in de stad. 

Ook door tijdelijk gebruik te stimuleren kunnen burgers, organisaties, en collectieven dit verloren potentieel herwaarderen, bijvoorbeeld voor sociaal-culturele projecten. We moeten erover waken dat tijdelijk gebruik een sociale functie blijft behouden. Een nauwe samenwerking tussen administraties, geprofessionaliseerde terreinwerkers en burgers kan het potentieel van tijdelijk gebruik in stadsplanning volledig tot zijn recht te laten komen. 

Productie in de stad

Productie hoort bij de stad. Een economie in korte keten past ook in een transitie naar duurzame ontwikkeling. We willen productie dan ook aanmoedigen als een integraal deel van het stedelijke weefsel, waarbij we erover waken dat de plaats die voorzien is voor productieactiviteiten ook naar echte productieactiviteiten gaat. Daarom moet de wetgeving rond de Ondernemingsgebieden in Stedelijke Omgeving (OGSO)  veranderen. Nu laat ze toe dat je in deze zones ook ‘niet-materiële’ goederen mag maken. Gebakken lucht dus. Ze bevat ook de verplichting woningen te realiseren boven de productieactiviteiten. Wat niet altijd realistisch is. Het wonen zou zich in deze gebieden moeten aanpassen aan het maken. En dat betekent dat het dogma van wonen boven productieactiviteiten moet opgeheven worden. Er zijn andere, creatieve architecturale en stedenbouwkundige oplossingen om deze vermenging te realiseren. 

Stadslandbouw

Daken, publieke ruimte, speelplaatsen, ... allemaal mogelijke plekken om meer groen te brengen in de hoofdstad. Maar er is zoveel meer mogelijk. Door dit groen eetbaar te maken, zetten we in op stedelijke voedselproductie, waar zowel de cafetaria’s van de scholen als buurtbewoners van kunnen profiteren. Door de buurt te betrekken en de scholen te verbinden, stimuleren we solidariteit en samenlevingsopbouw. Door dit groen met elkaar te verbinden, herwinnen we ook de publieke ruimte en verminderen we hitte-eilanden.

Hergebruiken & herstellen

Een duurzame stad kent ook integrale buurtcentra op het vlak van afval en consumptie, een soort centra voor duurzame consumptie. De opdracht van de centra kunnen we uitbreiden door er een plek van te maken waar mensen informatie krijgen over alle aspecten van de levenscyclus van onze consumptieartikelen. De centra werken ook mee aan acties om mensen in hun werkingsgebied te sensibiliseren Dat verwezenlijken ze via een samenwerking met alle actoren uit de buurt die betrokken zijn bij het afvalthema.