Van droom naar daad - 2) Inspraak & participatie

Burgers maken de stad. Dit even eenvoudige als radicale principe loopt als een rode draad doorheen onze visie op Brussel. In Brussel zijn iedere dag vele burgers, actiegroepen en buurtcomités in de weer voor een leefbare stad. Burgers voeren actie, schrijven antwoorden op openbare onderzoeken, zetten nieuwe initiatieven op, organiseren buurtfeesten, richten leef- en schoolstraten in, zetten druk op de overheid, … Kortom, burgers verenigen zich op vele manieren om hun stem te laten horen en bij te dragen aan hun stad. Een stad leeft van die dynamiek, het is de essentie van een stedelijke democratie. Die enorme rijkdom aan ideeën en acties voeden het publieke debat over de stad, en ze zouden veel meer dan nu het geval is ook het publieke bestuur van een stad moeten voeden. Brussel is dan ook een rijke stad, waarmee we bedoelen: rijk aan bewonersinitiatief!

BRAL wil de besluitvormingsprocessen opengooien voor burgers. We willen de mythe van de zogenaamd rationele, technische keuzes doorprikken. TINA, ‘there is no alternative’, is een rookgordijn. Het ontneemt ons al te vaak het zicht op het pallet aan mogelijke oplossingen voor een probleem. Regeringen, schepencolleges, professionele experten en machthebbers uit het bedrijfsleven willen ons graag laten geloven dat hun oplossing de enige rationele is, alsof er een soort natuurwet speelt. Maar eigenlijk gaat er een heel politiek proces vooraf aan hun keuze. Daarom verkiezen wij TAMARA: “there are many alternatives ready and available”. Andere machtsverhoudingen brengen andere keuzes met zich mee. Een gezonde democratie maakt die politieke (besluitvormings)processen zichtbaar en geeft zoveel mogelijk mensen de kans om eraan deel te nemen. Altijd. Bij het bestuderen van problemen, het maken van plannen, bij het uitvoeren.

Dergelijke participatieve democratie veronderstelt natuurlijk wel een andere rol van de overheid. Een overheid die betrokkenheid stimuleert en niet altijd zelf het stuur vasthoudt. Een overheid die ruimte laat én geeft. Een overheid die voldoende openheid aan de dag legt voor ideeën die uit de basis opborrelen, zonder in populisme te vervallen. Dat betekent niet dat we de overheid willen uitkleden, als een keizer zonder kleren, een administratieve machine zonder visie. Integendeel, we zien hier een toekomst voor een stedelijke overheid die een duurzame visie naar voren durft brengen in een open overleg met haar burgers. Wat telt, zijn de goede ideeën in het centrum van het debat en met de blik op de lange termijn gericht. 

Stimuleer én investeer in initiatief van onderuit

Zoals de overheid zich faciliterend opstelt t.a.v. ondernemerschap op de vrije markt, vanuit de overtuiging dat deze ondernemers welvaart creëren op een manier waarop zij het zelf niet kan, zo kan hij ook de ondernemende geest en de creativiteit van het middenveld en de burgercollectieven heel goed gebruiken om wijken te vernieuwen. Via de initiatieven van onderuit kunnen creatieve ideeën en politiek draagvlak naar boven komen die het planningsproces voeden, het mee helpen evolueren. 

De overheid moet niet bang zijn voor de politiserende rol die voortvloeit uit het mobiliseren van burgers, maar er net een verstandhouding mee zoeken. Deze groepen leveren een constructieve bijdrage aan beleidsprocessen. Ze stellen tegenstellingen scherp, activeren burgers en verzamelen zo inzichten die tot betere beleidsmaatregelen leiden.

Een stad moet daarbij durven experimenteren. In projecten rond de openbare ruimte kan het vaak zinvol zijn om tijdelijke ingrepen te stimuleren en die het statuut van test te geven terwijl het planningsproces nog loopt. Zo kan men meteen in praktijk beleven wat de impact van een idee is nog voor het plan een definitieve vorm krijgt. Bij de evaluatie van de test, inclusief de keuze van de evaluatiecriteria vooraf, is een brede participatie ook weer zinvol. 

Niet alles moet ook gepland worden. In een stad moeten we ook dingen durven laten gebeuren. Daarmee zeggen we eigenlijk: plan het niet-plannen! Als stadsbestuur moet je niet altijd over alles controle willen hebben. Een stedelijke overheid kan net een grote rol spelen in het mee organiseren van het stedelijke publieke debat en het ondersteunen van burgerinitiatief. 

Sterkere en beter geïntegreerde administraties

Sterke inspraak vereist sterke administraties: diensten, departementen en agentschappen met voldoende personeel, die gesteund worden om met de complexiteit van burgerparticipatie om te gaan. Een stad die investeert in duurzaamheid en participatie, moet dat ook vertalen in investeringen in ambtenaren om die visie mee tot stand te brengen.

Op het vlak van projectoproepen hebben Brusselse overheden gelukkig al getoond dat ze de meerwaarde van bewonersactie willen aanspreken. We zien wel dat veel administraties elk hun eigen projectoproep hebben om bottom-up initiatieven te ondersteunen. Eigenlijk is er een echte wildgroei aan oproepen tot stand gekomen waarin een kat haar jongen niet meer vindt. Een dagtaak voor actieve bewoners om daar efficiënt mee om te springen en hun idee bij de juiste oproep in te dienen. Meer samenwerking tussen administraties rond al die projectoproepen lijkt ons dus noodzakelijk.

Een andere vaststelling is dat deze projectoproepen vaak weinig linken hebben met bestaande plannen. Ze bieden een kleine speeltuin waarbinnen mensen tamelijk vrij hun gang mogen gaan maar er worden zelden lessen uit getrokken voor de grotere overheidsprojecten die er naast opereren. Dat fenomeen zie je niet alleen in het beleid rond de openbare ruimte maar komt ook terug in participatieve budgetten, wijkcontracten of de omgang met tijdelijk gebruik van gebouwen. Een mismatch tussen leefwereld en beleidskokers is die projectkaders niet vreemd. Samenwerken met het professionele middenveld maakt het mogelijk om ook hier geïntegreerd te werken met het oog op de bredere doelstellingen.  

Stedelijke commons

Brussel kent net als vele andere steden heel wat ‘commons’: burgercollectieven die op een participatieve en democratische wijze een bepaald publiek goed willen opzetten of beheren. Ze creëren een autonome ruimte in de stad die niet in de greep is van overheden of van de winstgedreven markt. Commonsinitiatieven streven naar zelfbeheer door burgers, soms in samenwerking met overheden, soms zonder. Stedelijke overheden beginnen stilaan te beseffen dat dit soort stedelijke commons een nieuwe impuls in de stad brengen.

Denk bij stedelijke commons bijvoorbeeld aan de Community Land Trust in Brussel die op gedeelde gemeenschapsgronden betaalbare woningen willen realiseren en daarbij bewoners en organisaties nauw betrekken in het beheer van de organisatie. Stedelijke commons kunnen dan ook een innovatieve rol spelen in de stedelijke ontwikkeling en de ruimtelijke planning van de stad. Brusselse overheden werken daarom best aan een beleidskader om deze initiatieven te erkennen en de nodige ruimte te geven. Een stedelijk expertisecentrum kan hierbij een nuttig instrument zijn: zo kan een stad inzicht krijgen in hoe commons werken, welke er in de stad actief zijn, en hoe commons kunnen bijdragen aan een duurzame en leefbare stad. 

Burgerwetenschap als co-creatie

Citizen science betrekt burgers in het publieke debat: je meet immers zelf, je genereert data, maar je leert ook begrijpen hoe de vork aan de steel zit. Het wakkert je nieuwsgierigheid aan. Je begrijpt de implicaties voor je eigen leven, maar je wordt ook ambassadeur van de kennis, en gaat je buren, vrienden, familie sensibiliseren: “Moet je weten?” Citizen science roept tegelijk heel wat vragen op over de politieke besluitvormingsprocessen en de macht van de wetenschap. Kunnen we de ijzeren coalitie tussen wetenschap en beleid doorbreken? Krijgen burgers een rol in het bestellen en vertellen van kennis? Erkent het beleid die rol of vecht ze die aan? Is de wetenschap bereid om haar kennis vrij te geven en haar agenda mee te laten bepalen door burgers? Verrijkt dit het democratisch debat en helpt het burgers om te wegen op het beleid? 

Citizen science heeft de potentie een echt co-creatieproces te zijn, een uitwisseling tussen burgers, wetenschappers, administraties en politici die samen collectief en goed geïnformeerd publiek beleid maken. BRAL de mobiliserende kracht van citizen science aangetoond rond het thema luchtkwaliteit. Door zelf luchtkwaliteit te meten, krijgen de deelnemers inzicht in de problematiek van luchtkwaliteit. Ze begrijpen hun eigen resultaten, en kunnen die van anderen situeren. Ze willen deze verworven kennis uitdragen; hun familie, vrienden, mede-burgers informeren. Hier ontstaat burgerschap. Het toont hoe citizen science de basis kan leggen voor een collectieve en duurzame governance van belangrijke stedelijke milieu-problemen.

Citizen science lijkt controversieel voor de ene, voor de andere een kans tot samenwerking. Het nut om kennis op te bouwen op basis van observaties hangt af van vele factoren: van de politieke context, van de noden van de overheidsdiensten, van de hoogdringendheid,... Dankzij burgers worden de observaties op het terrein vaak beter verspreid en dus ook kwalitatiever. Vaak pas aan het einde van een pilootproject, met onverwacht rijke resultaten waaruit je veel lessen kan trekken, beseft de staat dat collectieve kennisproductie echt nuttig kan zijn voor de stad.

Governance van ruimtelijke planning

Strategische én participatieve planning

Stadsplanning mag niet beperkt worden tot een technisch verhaal. Het gaat bij stadsplanning immers om het vormgeven van de stad, en wat BRAL betreft gebeurt dat niet enkel door de Brusselse overheden maar worden Brusselaars daar actief betrokken. Hier is een omslag nodig van ‘government’ naar ‘governance’, van eenzijdige overheidsplanning naar een geïntegreerd en participatief planningsproces. Dat komt niet enkel het democratische karakter van onze stad ten goede. Ook de kwaliteit van onze stadsplanning gaat er zo op vooruit.

De manier waarop de overheid vormgeeft aan de stad heeft ze de afgelopen jaren grondig aangepast. Het meest in het oog springend was de intrede van het Richtplan van Aanleg (RPA). Plan d’Aménagement Directeur (PAD) in het Frans. Wij gebruiken graag die laatste afkorting, PAD, omdat die beter bekt. De PAD moest de nieuwe ‘powertool’ worden om de grote strategische zones (de Europawijk! Weststation! Josaphat en tutti quanti)  te ontwikkelen. De motor sputtert echter. Of: ze ging te snel in productie. De PAD’s leken als bulldozers over de stad te denderen, ten koste van een open debat over de vele uitdagingen die deze planningsinstrumenten kunnen aanpakken. Daarom wilt BRAL dat het Brussels Gewest werk maakt van een meer betrokkenheid. Voor de PAD’s betekent dit in het bijzonder: 

  • Niet alle zones in één keer ontwikkelen, maar op basis van een duidelijke visie prioriteiten stellen. 
  • 6 maanden besteden aan participatie en visievorming
  • Daarna een openbaar onderzoek over de visie en input over de over de effecten die verder moeten bestudeerd worden en de alternatieven. 
  • Het bureau dat de visie ontwikkelt en het bureau dat de effecten bestudeert, werken samen het document af.
  • Heel belangrijk: neem de tijd voor een deftige publieke voorstelling van het geleverde werk en het bijhorende regelgevende luik. 
  • Stel dan het eigenlijk openbare onderzoek in van de volledige PAD.

De richtlijn achter deze plannen is duidelijk en moet wat ons betreft de rode draad vormen voor de ruimtelijke planning in het algemeen: neem de tijd aan het begin van het planningsproces om burgers te betrekken, visie te ontwikkelen en inspraak te verzamelen. 

Geïntegreerde planning

Een stad plannen vraagt heel wat overleg, ook tussen de vele overheden die erbij betrokken zijn  (denk aan Perspective, Urban, de Maatschappij voor Stedelijke Inrichting (MSI), Brussel Mobiliteit, Leefmilieu Brussel, MIVB ...). Duizenden woningen, collectieve voorzieningen en werkplekken plannen, de omslag naar duurzame mobiliteit maken, zonder duidelijke visie of afstemming … dan vraag je om problemen. Een doorgedreven overleg tussen administraties en kabinetten is dus geboden. Transversale projectteams kunnen een oplossing bieden, als ze een duidelijk mandaat krijgen. 

BRAL werd in haar geschiedenis vaak geconfronteerd met het moeizame verloop of de stilstand van verschillende projecten. Concurrentie tussen administraties, gewest, gemeenten, gemeenschappen en andere gewesten waren daar niet vreemd aan. Maar dossiers reden zich ook domweg vast in hun eigen complexiteit. Ruimtelijke planning en stedenbouw zijn nu eenmaal volop in beweging. We verwachten dat de overheid zich openstelt voor samenwerking met burgerbewegingen. Maar veel overheidsdiensten vinden het al erg moeilijk om samen te werken met andere administraties, laat staan met die vreemde eenden van bewonerscollectieven. Zolang de publiek-publieke samenwerking niet beter verloopt, is het voor burgers nog altijd een waagstuk om mee te spelen met hun overheden. De kans is te groot dat het spel halfweg wordt afgebroken. Om burgers beter te betrekken bij de planning van de stad hebben we dan ook een beter geïntegreerd publiek bestuur nodig.